De politiek met vakantie

De wereld mag morgen vergaan Binnenhof en Buitenhof zijn met vakantie. De straten zijn leeg, en de kranten ook. Ik vind er in deze tijd weinig in van mijn gading (toegegeven: een subjectief criterium); in de Nederlandse kranten nog minder dan in sommige buitenlandse, zoals de Financial Times en de Frankfurter Allgemeine.

Daarom wil ik deze keer (en misschien ook wel een volgende keer) putten uit mijn voorraad knipsels, die ik in de afgelopen maanden verzameld heb, artikelen waarvan de inhoud mijn belangstelling wekte, maar die ik tot nu toe niet in een eigen artikel had kunnen verwerken.

Ik begin met wat ik vond in de twee christelijke dagbladen, het Reformatorisch Dagblad en het Nederlands Dagblad (bladen die, zo is mijn indruk, over 't algemeen door de rest van de pers veronachtzaamd worden, terwijl ze toch heus ook in de zomermaanden veel meer interessant materiaal bieden dan alleen maar nieuws over wat wel smalend de `zwartekousenkerken' genoemd wordt, en aan `opleuken' van de krant doen ze helemaal niet).

Eerst een vraaggesprek met de historicus prof.dr. N.C.F. van Sas (Universiteit van Amsterdam) in het RD van 9 juli jl. Ik neem daar het volgende uit over:

,,Onze geschiedenis noem ik wel een mythe-estafette. Tot de Franse tijd hadden we de Bataafse mythe: de Batavieren in hun strijd tegen de Romeinen. Die Batavieren waren de oer-Nederlanders.'' (Die mythe heeft zich toch nog een tiental jaren tot in de Franse tijd voortgezet: van 1795 tot 1806 hadden we immers de Bataafse Republiek?)

,,Daar is in de 19de en in de 20ste eeuw de herinnering aan de Gouden Eeuw voor in de plaats gekomen. We poetsten onze nationale helden op: Rembrandt, Michiel de Ruyter.'' (Inderdaad, nog in het begin van de jaren '60 zong mijn dochtertje op de lagere school over Nederland als ,,der helden bakermat, der kunsten wieg'' zonder natuurlijk te begrijpen wat dat betekende.)

,,De mythe van dat grootse verleden wordt afgelost door de mythe van de Tweede Wereldoorlog, door de herinnering aan die oorlog, de helden tegenover de schurken. Die mythe helpt ons door de wederopbouw heen en wordt gedeeltelijk onderuit gehaald in de verwarring van de jaren '60, en het is definitief met de mythe gedaan door de holocaustverwerking.'' (Maar op 4 en 5 mei koesteren wij er ons telkens nog even in.)

,,Sindsdien zitten we zonder nationale mythe, hebben we geen houvast.'' Van Sas spreekt over een identiteitscrisis, die versterkt is door de moord op Pim Fortuyn en Theo van Gogh, maar ,,Nederland heeft vaker in zo'n situatie verkeerd: in de decennia rond 1800 en ook rond 1900.'' (Rond 1800 was Nederland door de Fransen bezet, en in zo'n situatie beleeft ieder volk een identiteitscrisis. Rond 1900 moest Nederland machteloos toezien hoe het `broedervolk' der Boeren door de Britten werd verslagen.)

Overigens: ,,De landen om ons heen zitten met vergelijkbare problemen.'' Nederland moet ,,meer over de grenzen kijken hoe ze daar de problemen aanpakken. Wat doen ze in de VS, in Groot-Brittannië, Duitsland en de Scandinavische landen? Waarom gaat het goed in Denemarken? Ons land kan leren van die andere landen.'' (Een land dat zichzelf als gidsland beschouwt, zal daar moeite mee hebben.)

De oplossing van die problemen vergt tijd. ,,Dus geef de regering nu ook vier jaar om serieus met de problemen van de samenleving aan de gang te gaan.'' Daar ben ik het wel mee eens, hoewel het natuurlijk de taak van de oppositie is het kabinet die termijn van vier jaar niet te laten uitzitten.

Maar krijgt het kabinet de tijd om die vier jaar vol te maken? Dat hangt er mede van af of het zich al dan niet laat meeslepen door de hype na het `nee' van 1 juni versterkt om de problemen via referenda, burgerinitiatieven en burgerkamer te laten oplossen uit paniek geboren middelen waarmee de parlementaire democratie zichzelf castreert.

De D66'er Pechtold, die zijn partijgenoot De Graaf als minister voor bestuurlijke vernieuwing is opgevolgd nadat diens plannen in de Eerste Kamer door toedoen van de PvdA waren gesneuveld, broedt op zulke plannen. Een tweede afwijzing hetzij door een meerderheid in het kabinet, hetzij door een van de Kamers zou het kabinet waarschijnlijk niet overleven.

Maar ja, de ,,politici weten het niet meer''. Zo luidt de kop boven een artikel van Eimert van Middelkoop, lid van de Eerste Kamer voor de ChristenUnie, in het ND (dat andere christelijke dagblad) van 2 juli jl. ,,Alle vernieuwingsvoorstellen van recente datum zijn vooral een uiting van verlegenheid van politici met de eigen zaak en van gebrek aan programmatische overtuiging.

,,Het systeem is vermoeid: progressief en neoliberaal zijn geen wervende etiketten meer, en ook het Europese vergezicht is in de mist verdwenen. De elite weet het niet meer, en de verwende burger heeft het wel gezien.''

,,Hoe extravagant Fortuyn ook was, hij deed wat een politicus moet doen: een richting aanwijzen, tegenwind trotseren, burgers serieus nemen en openlijk de strijd aangaan met critici. Politici moeten leiding willen geven met een overtuiging omtrent de inhoud en betekenis van het algemeen belang. En vervolgens bereid zijn zich te verantwoorden tegenover de burger [...].

,,Dat is iets anders dan de eigen verantwoordelijkheid met wat democratisch sentiment in handen te leggen van de burger.'' Ook daar ben ik het eigenlijk wel mee eens. Immers: ,,politici kan men na vier jaar naar huis sturen, bij burgers ligt dat toch wat lastiger.''

Tot besluit een citaat dat zowel over politici als over vakantie gaat. Het is uit een vraaggesprek met de Belgische oud-premier Jean-Luc Dehaene in De Standaard van 6 augustus jl.: ,,In de politiek heb je geen vrienden, wel bondgenoten [...]. Mensen als Wilfried Martens (partijgenoot) en Louis Tobback (socialist) draag ik hoog in het vaandel. Maar daarom hoef ik nog niet met hen op vakantie te gaan.''

Zeer juist, waarbij ik aanteken dat samen met vrienden met vakantie gaan soms een patent recept is voor het einde van een vriendschap. Overigens is het interessant te zien dat Dehaene het werkwoord hoeven gebruikt; Vlamingen gebruiken meestal in plaats daarvan het werkwoord moeten. Invloed van het Noordnederlands op Dehaenes taalgebruik? Of heeft Dehaene wél moet gezegd, maar heeft de taalkundig precieze Standaard daar hoef van gemaakt?