Wee het continent waar de pers moet zwijgen

In het grootste deel van Afrika is voor journalisten, redacties en lezers meer in het geding dan de vrijheid van de pers – wat op het spel staat is het voortbestaan ervan als zodanig. Onder de verschillende dictaturen in Nigeria zijn tal van journalisten geconfronteerd met pesterijen, molestaties, martelingen, valse aanklachten en schijnprocessen, en ongehoord lange gevangenisstraffen.

Onder de talrijke slachtoffers was het meest bizarre geval misschien wel dat van de jonge journalist Bagauda Kaltho. Zijn lijk werd in een hoteltoilet in de stad Kaduna gevonden met de restanten van een bombrief, na een explosie die niemand had gehoord. Toch lag hij daar, met naast zich een exemplaar van mijn boek The Man Died.

De suggestie die daarvan uitging, gesteund door het bewind, was dat Kaltho een rekruut van mij was die zich had opgeblazen terwijl hij bezig was met het maken van een nieuwe bom in een terreurcampagne tegen de dictatuur van Sanni Abacha. Dit gewetenloze verzinsel kwam aan het licht na de dood van Abacha en de stroom bekentenissen die daarop volgde van de politieagenten die de misdaad hadden begaan.

De pers bood taai weerstand, ook al kostte dat slachtoffers. Journalisten gingen ondergronds publiceren. Als de politie ergens een inval deed, kwamen exemplaren te voorschijn uit andere veilige opbergplaatsen, die op straat werden verkocht door kamikaze-jongeren. Het maakte niet uit dat deze jeugdige verkopertjes, soms niet ouder dan een jaar of zeven, acht, vaak werden gearresteerd, afgetuigd en weken-, soms maandenlang werden opgesloten. Als ze uit de gevangenis kwamen, zetten ze hun gevaarlijke werk weer voort.

Maar Nigeria is niet het eerste voorbeeld van de geduchte macht van de pers. Die eer komt toe aan een ander gebied met een andere geschiedenis. Afgaande op elementen als aandacht, mobilisering, betrokkenheid, organisatie en invloed gaat de prijs naar de noodlottige rol van de media in de aanloop naar het bloedbad in Rwanda van 1994, en in de sturing, leiding en ophitsing van de verantwoordelijken voor de genocide zodra de uitroeiing van Tutsi's eenmaal begon. Het blijft een ontnuchterende les, de media in de rol van agressor en schender, in tegenstelling tot hun normale positie als slachtoffer.

Die gebeurtenissen zijn zo bekend dat ze niet meer hoeven te worden opgerakeld. Wat nu telt is de rol die de overige Afrikaanse media zouden hebben moeten spelen, en de vragen die dit opwerpt over hun vermogen om als waakhond te fungeren.

Niet veel Afrikanen, zelfs niet als ze iets van de wereld wisten, hadden ooit gehoord van Radio Milles Collines, het grofste werktuig van de Rwandese volkenmoord. Het is veelzeggend dat gebeurtenissen die in de eerste plaats de Afrikanen aangaan voornamelijk tot het publiek domein doordringen dankzij de tussenkomst van de buitenlandse media.

Díé onthulden de medeplichtigheid van bepaalde buitenlandse mogendheden bij een misdaad tegen de menselijkheid. En de buitenlandse pers schetste waarin de Verenigde Naties tekortschoten, omdat het onvermogen van hun vertegenwoordigers ter plaatse om de volkenmoord bij de naam te noemen tot een comateuze reactie leidde. De Afrikaanse media verzuimden eenvoudig over de nabije grens te kijken en het continent een stem te geven in zijn confrontaties met de wereld.

Even gedempt is de reactie van de Afrikaanse media op de slachtingen en verkrachtingen in Darfur. Weer worden de Afrikaanse lezers tekortgedaan en blijven zij op buitenlandse berichtgeving aangewezen om de ingrijpende gebeurtenissen te kunnen volgen.

De Afrikaanse burgerlijke maatschappij, wier spreekbuis de pers is, ontkomt niet aan het verwijt dat ze verzuimt haar leiders op te roepen om mede-Afrikanen te redden. Van Liberia tot Congo vergt de toestand van het Afrikaanse continent op dit moment dat de pers niet alleen als waakhond optreedt, maar ook als drijvende kracht. De media moeten het continent een voorbeeld van saamhorigheid bieden.

Die saamhorigheid moet niet worden opgevat als iets wat alleen in tijden van beroering wordt gepraktiseerd. Het goedkope gebruik van misprijzende termen als `inmenging van buiten', `partijdige berichtgeving' en `imperialistische spreekbuizen' – zo geliefd bij corrupte en/of onderdrukkende regimes – wordt zelfs door degenen die ze geregeld in de mond nemen als zelfzuchtig erkend. De Afrikaanse media moeten reageren met hun eigen analyses, verklaringen en verhalen.

Jammer genoeg laten Derdewereldjournalisten in repressieve omstandigheden zoals in Zimbabwe zich meestal leiden door het gedrag van hun nationale leiders en de kringen rondom de grote boeven van het continent. Door deze reflex is Zimbabwe vrijwel een gebied zonder journalistiek geworden, waar alleen de buitenlandse pers nog een poging doet president Robert Mugabe ter verantwoording te roepen.

Intussen heeft het ontbreken van saamhorigheid onder de Afrikaanse journalisten en Afrikaanse volken tot een gevaarlijk vacuüm geleid. Vandaag is het de pers in Zimbabwe die onder vuur ligt. En morgen? Ieder van ons dient dit in gedachten te houden, want territoriale ambities gaan vaak hand in hand met het credo van de censor.

De Nigeriaanse schrijver Wole Soyinka won in 1986 de Nobelprijs voor literatuur.

    • Wole Soyinka