Aziatisch milieuverdrag getuigt van gezond verstand

Niet de bindende emissie-afspraken van het Kyotoverdrag, maar technologische vernieuwing vormt het beste antwoord op klimaatveranderingen, zo vinden de VS, Australië, China, India, Japan en Zuid-Korea. Daarmee zetten zij de Europese aanpak terecht te kijk, meent Joshua Livestro. In plaats van te volharden in `Koyoto' zou Europa moeten streven naar een Atlantisch-Mediterraan Partnerschap, vindt Joost van Kasteren.

Het zijn niet de minste landen die zich bij het nieuwe Klimaatpartnerschap hebben aangesloten: behalve het Kyoto-sceptische Australië tekenden ook China, India, Japan en Zuid-Korea. Momenteel zijn deze zes landen samen goed voor 44 procent van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen, een percentage dat de komende jaren waarschijnlijk nog verder zal stijgen. Ter vergelijking: de 194 landen die het Kyoto-verdrag ondertekenden zullen in 2020 samen 20 procent van alle broeikasgassen produceren.

Bij de beoordeling van de beide programma's gaat het niet zozeer om de vraag welk pact de beste resultaten voor het milieu zal opleveren. De werkelijke inzet van deze botsing der verdragen is de vraag welke visie op de toekomst van de internationale betrekkingen dominant zal worden: de Europese, met zijn nadruk op bindende afspraken en internationale institutievorming, of de Amerikaanse, die uitgaat van vrijwillige betrokkenheid van soevereine natiestaten.

Het Klimaatpartnerschap is een typisch product van de Amerikaanse diplomatieke school. Het is beperkt in zijn doelstellingen en in het inzetten van middelen. De nadruk ligt op de uitwisseling van kennis over schonere brandstoffen en efficiëntere productiemethoden. Daarnaast hebben de individuele ondertekenende landen de vrijheid om quota's te introduceren voor het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen in eigen land. Het verdrag legt op dat gebied echter geen verplichtingen op. Verdragen kunnen in Amerikaanse ogen immers geen beperkingen opleggen aan de nationale soevereiniteit, ze kunnen er hoogstens een aanvulling op vormen. Een belangrijke doelstelling van het pact was daarnaast te laten zien dat een efficiënt milieubeleid wel degelijk samen kan gaan met een op economische groei gerichte politiek. Niet schoon versus welvarend, maar schoon én welvarend.

Kyoto daarentegen is een typisch product van de Europese diplomatieke aanpak. Voor de buitenstaander lijkt het een onmogelijk ambitieus verdrag: honderden miljarden euro's per jaar dienen te worden besteed aan een voor alle partijen bindend programma van strenge quota's waarvan de experts niet eens met zekerheid durven te zeggen of ze ook daadwerkelijk zullen bijdragen aan het afremmen van het proces van klimaatverandering. De aan het verdrag ten grondslag liggende diplomatieke methode van bindende afspraken en internationale coördinatie is typerend voor de Europese postnationale visie op de internationale betrekkingen. Verdragen helpen nauwere banden te scheppen tussen de ondertekenaars en leveren zo een essentiële bijdrage aan de internationale institutievorming. Het daadwerkelijk verwezenlijken van de in de verdragen vastgelegde doelstellingen is minder belangrijk. Die zijn immers naar goed Europees gebruik wel bindend maar niet afdwingbaar. Als sommige landen zich dus om hen moverende redenen niet aan de afspraken wensen te houden, is dat niet noodzakelijk een probleem.

De voordelen van deze flexibele aanpak zijn in Europese ogen duidelijk: het proces van voortgaande internationale institutievorming profiteert ten volle van de ambitieuze afspraken, maar kan door gebrek aan naleving ervan niet of nauwelijks worden afgeremd. De hoofddoelstelling, de uitbouw van een internationale milieubureaucratie binnen het raamwerk van de Verenigde Naties en de Europese Unie, is dankzij Kyoto inmiddels verwezenlijkt. Het feit dat een groot aantal Europese landen het verdrag niet of slechts in sterk verwaterde vorm uitvoert, is daardoor van minder groot belang geworden.

Maar op de neutrale waarnemer komt deze Europese flexibiliteit eerder over als hypocrisie. In wezen is Kyoto immers niet meer dan het verplaatsen van lucht omwille van de uitbouw van een internationale bureaucratie. Dure lucht: de kosten van uitvoering zouden bijvoorbeeld voor de Verenigde Staten alleen al 150 miljard dollar per jaar bedragen. En dat voor een programma waarvan de bijdrage aan het afremmen van het proces van opwarming volgens de meest realistische scenario's in 2050 niet meer dan 0,02 graad Celsius zou bedragen. Belangrijker dan de twijfels over de kostenefficiëntie van het verdrag zijn de twijfels over de Europese intenties. Waarom de wereld opzadelen met een in zijn uitvoering peperduur verdrag, wanneer je het zelf niet eens wilt uitvoeren? Zelfs in de diplomatie moeten woorden hun betekenis hebben. Waarom niet liever minder bindende maar beter werkbare en economisch realistischer afspraken maken?

Tot nu toe heeft Europa met 194 ondertekenende landen van het Kyoto-verdrag nog het initiatief. Maar als andere ontwikkelingslanden besluiten het voorbeeld van China en India te volgen en het dure Kyoto in te ruilen voor het veel goedkopere Klimaatpartnerschap, kon het met Kyoto wel eens heel snel gedaan zijn. De kans dat er in 2012 nog een vervolgverdrag komt, is in dat geval minimaal. Voor het klimaat zou dat waarschijnlijk geen grote ramp zijn. Maar voor de Europese diplomatie zou het een – welkome – nederlaag vormen.

Joshua Livestro is columnist bij Techcentralstation.com.

    • Joshua Livestro