Wet voor inburgering is nog altijd niet klaar

Minister Verdonk moet haar plannen voor een inburgeringsstelsel opnieuw wijzigen. De Raad van State is bang voor discriminatie.

Op het ministerie van Justitie zijn ze ongetwijfeld de tel kwijt. Er wordt nu aan de zoveelste versie van het wetsvoorstel voor een nieuw inburgeringsstelsel gewerkt. Onder druk van de Raad van State moet minister Verdonk (Vreemdelingenzaken en Integratie, VVD) haar plannen opnieuw wijzigen.

De inzet was om in 2006 alle nieuwkomers van buiten de EU en `oudkomers' (migranten die hier langer zijn maar de taal nog steeds niet spreken) aan een verplicht inburgeringsexamen te onderwerpen. Wie dat niet haalt, krijgt geen permanente verblijfsvergunning, of een boete van de gemeente.

Maar eind vorig jaar bleek dat Verdonk niet alleen te weinig geld heeft, maar dat de stroom van krtiek op de jurische houdbaarheid van haar plannen terecht was. De Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) constateerde dat het in strijd is met de rechtszekerheid dat Verdonk ingrijpend onderscheid maakte tussen autochtone en genaturaliseerde Nederlanders en Antillianen (die allen de Nederlandse nationaliteit hebben).

Maar de AVCZ bood de minister wel een juridische uitweg: kijk niet langer naar nationaliteit of de plaats van geboorte, maar stel dat iedereen die minder dan acht jaar van de leerplichtige leeftijd in Nederland woonde inburgeringsexamen moet doen. Verdonk nam dit advies vorig jaar over en stuurde het wetsvoorstel dit voorjaar voor advies naar de Raad van State. Deze schrijft in een nog vertrouwelijke notitie van 1 juli dat het ,,voorgestelde inburgeringsstelsel een aantal onmiskenbare nadelen heeft''. De belangrijkste kritiek is dat EU-burgers uitgezonderd zijn van de inburgeringsplicht, maar dat Nederlanders die buiten de EU zijn geboren en genaturaliseerde Nederlanders van buiten de EU straks bij vestiging in Nederland wel worden verplicht in te burgeren. De Raad meent, in tegenstelling tot de AVCZ, dat Nederlanders daardoor in een ongunstiger positie komen te verkeren dan de andere burgers van de EU. Dat is niet te verenigen met het gelijkheidsbeginsel.

De directeur Wetgeving op het ministerie van Justitie adviseert minister Verdonk, in een ambtelijke notitie van 7 juli waarover deze krant beschikt, om de kritiek van de Raad van State grotendeels op te volgen, Het is, aldus het ambtelijk schrijven, een ,,tamelijk vergaand oordeel, maar zeker geen onbegrijpelijk standpunt''. Wel verbazen de rechtsgeleerden van Verdonk zich over het feit dat ,,de raad niet ingaat op de problematiek van de Turken en het Associatierecht''. Dat is een andere juridische hobbel waarvoor de minister nog geen oplossing heeft. Turkije en de EU kennen sinds 1963 een Associatieverdrag dat zegt dat Turken recht hebben op dezelfde behandeling als andere EU-onderdanen. De vraag is of op grond daarvan Turken in Nederland wel een inburgeringplicht kan worden opgelegd.

De ambtenaren adviseren Verdonk om het wetsvoorstel in de geest van het advies van de Raad van State te wijzigen, maar ,,de echt problematische groepen via andere wegen tot inburgering'' te verplichten. Hierbij wordt gedacht aan allochtone vrouwen die kinderen opvoeden en migranten die werkloos zijn. Tevens wordt voorgesteld om iedereen die hier al voor 1975 naar toe kwam, het jaar waarop Suriname onafhankelijk werd, uit te zonderen van de inburgeringsplicht. Ook kinderen van expats moeten worden uitgezonderd. Naar verluidt volgt Verdonk deze lijn. Het voorstel voor een nieuwe wet is weer vertraagd en gaat pas na Prinsjesdag naar de Tweede Kamer.

    • Froukje Santing