Oud, maar niet afgedaan

De ideeën van het kabinet over langer doorwerken door ouderen stroken niet met de weerbarstige praktijk. De uitstroom van ouderen uit de werkzame beroepsbevolking is de laatste jaren toegenomen, meldde het Centraal Bureau voor de Statistiek gisteren. Onder ouderen verstaat het CBS 50-plussers. Wat hieraan opvalt is dat de oudere werknemer steeds jonger wordt. Vroeger, dat wil zeggen nog geen tien jaar geleden, was van vervroegde uittreding (VUT) pas sprake vanaf 55 jaar. Maar dit terzijde. Ondanks de goede voornemens van het kabinet om het tij te keren, stopten vorig jaar 124.000 mensen ouder dan 50 jaar met een betaalde baan. Ter vergelijking: in 2000 bedroeg dit aantal 96.000. Het CBS tekent hierbij aan dat de toename van de uitstroom samenhangt met de stijging van het aantal werkende ouderen. Die stijging is weer deels terug te voeren op de toenemende vergrijzing.

Om te variëren op een bekende uitspraak van Bill Clinton toen deze nog president van de Verenigde Staten was: het is de demografie, sukkel. Het kabinet-Balkenende heeft dit ingezien en maakt al vanaf zijn aantreden terecht een punt van langer werken. Kort gezegd: meer ouderen moeten aan de slag (blijven). De minister van Economische Zaken, Brinkhorst (D66), laat geen gelegenheid onbenut om dit beleid uit te dragen. Hij brengt het zelf trouwens in de praktijk. Als 68-jarige is hij nog volop bij het arbeidsproces betrokken.

Het goede nieuws is dat een kwart van de ouderen die stopten met hun baan, weer aan de slag wil. Dit aandeel is de laatste jaren toegenomen. Toch blijft het een gegeven dat verreweg de meeste ouderen die zijn uitgestroomd, geen betaalde baan meer ambiëren. Ze geven hun leeftijd op als belangrijkste reden om niet meer te werken. Ziekte en arbeidsongeschiktheid worden volgens het CBS aanzienlijk minder vaak genoemd. De leeftijd van ouderen die de werkzame beroepsbevolking hebben verlaten, was in de periode 2000-2004 gemiddeld ruim 59 jaar – niet zo erg oud dus, en op geen stukken na de leeftijd van minister Brinkhorst.

Jarenlang zijn oudere werknemers aangemoedigd hun werkplaats vroegtijdig te ontruimen, een beleid dat vanuit het gezichtspunt van destijds een succes bleek. De VUT-regeling, eind jaren zeventig als beperkte maatregel ingevoerd om een havenstaking af te kopen, bleek zo populair dat er letterlijk geen houden aan was. Voor de werknemers was het om voor de hand liggende redenen aantrekkelijk om eerder dan met 65 jaar te stoppen. En voor de werkgevers bleek de VUT een middel om dure medewerkers te lozen. Zo sneed het mes aan twee kanten. De inzichten zijn intussen veranderd, en dat is goed, maar er blijft een hardnekkig verschil tussen in Den Haag bedacht beleid en de praktische uitvoering ervan. Bedrijven en instellingen – ook de overheid zelf – laten bij reorganisaties nog steeds ouderen als eersten uit het arbeidsproces vertrekken. De arbeidsmarkt is onvoldoende ingesteld op ouderen die op de een of andere manier willen blijven werken. De senioren zelf zijn te weinig doordrongen van de ernst van de situatie. Ze hebben tegenwoordig iets meer kansen om aan te blijven – maar die moeten ze wel pakken.

Het kan lang duren voordat nieuwe politiek wordt doorgevoerd en de oude echt is uitgewerkt. Maar hier is naast bekrachtiging van beleid ook sprake van een mentaliteitsverandering. Die lijkt uit te blijven, en dat is zorgwekkend.