Nucleair Iran is niet te voorkomen

Iran zal zijn strategische ambities niet inruilen voor nauwere politieke en economische samenwerking met Europa. Het bewind in Teheran beschouwt de kernwapenstatus als een garantie om internationaal serieus genomen te worden, meent Peter van Ham.

Dat Iran kernwapens ontwikkelt, is nu wel duidelijk. Al jaren speelt het bewind in Teheran een kat-en-muis-spelletje met de controleurs van het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie (IAEA) in Wenen, alsook met de `EU-3' (Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië), die proberen de nucleaire geest nog in de fles te houden. Want het probleem is niet alleen dat een nucleair Iran kan leiden tot een kernwapenwedloop, maar tevens dat dit het einde kan inluiden van het fragiele netwerk van non-proliferatieverdragen.

Dat Iran kernwapens wil hebben, is op zich niet verwonderlijk. Sinds enkele jaren is Iran letterlijk omsingeld door kernwapenlanden zoals Pakistan en Israël, en door regimes (Irak en Afghanistan) die nu onder Amerikaanse militaire curatele staan. Iran wordt door de Verenigde Staten gekwalificeerd als een onderdeel van de `as van het kwaad', en de regering-Bush maakt er geen geheim van dat `regimeverandering' in Iran de hoogste prioriteit heeft.

De nieuwe ultraconservatieve president Ahmadinajed heeft vorige week een ramkoers met de internationale gemeenschap uitgezet, die gisteren uitmondde in de spectaculaire opening van de uraniumconversie-installatie in Isfahan. De `EU-3' heeft afgelopen vrijdag nog een laatste poging gedaan om Iran op het rechte pad te houden, maar die is door Teheran resoluut als ontoereikend van de hand gewezen.

Iran zal zijn strategische ambities niet inruilen voor nauwere politieke en economische samenwerking met Europa, met name omdat het de kernwapenstatus beschouwt als een garantie om internationaal serieus genomen te worden. India, Pakistan en Israël behoren immers tot de beste bondgenoten van de Verenigde Staten in de regio, en Iraanse analisten geloven dat als Saddam Hussein werkelijk kernwapens zou hebben gehad, Amerika Irak niet had durven binnenvallen.

Wanneer Iran precies de nucleaire drempel zal overschrijden valt niet te voorspellen. Waarschijnlijk werkt Teheran al geruime tijd aan een breakout-optie, zodat Iran binnen korte tijd (waarschijnlijk slechts luttele maanden) met de aanwezige nucleaire technologie, materiaal en kennis een rudimentair kernwapenarsenaal kan vervaardigen. De machthebbers in Teheran kunnen een mogelijk (of vermeend) Amerikaans-Israëlisch plan om Iran `preventief' aan te vallen als aanleiding aangrijpen om de nucleaire Rubicon rap zonder veel problemen over te steken.

Wanneer het zover komt, is het hek van de dam. Teheran zal dan officieel uit het nucleaire Non-proliferatieverdrag (NPV) stappen, wat juridisch mogelijk is (er bestaat een opzegtermijn van 90 dagen). Dit verdrag staat toch al onder druk, omdat de regering-Bush haar vertrouwen in de multilaterale aanpak van nucleaire proliferatie lijkt te hebben opgezegd.

Dit kwam pijnlijk naar voren tijdens de toetsingsconferentie van het Non-proliferatieverdrag in New York, afgelopen mei. De Verenigde Staten maakten daar duidelijk het NPV als een achterhaald instrument te beschouwen dat kwaadwillende landen een dekmantel geeft hun snode nucleaire plannen voor te bereiden. Washington ziet nu meer in ad hoc contra-proliferatie-maatregelen zoals het Proliferation Security Initiative (PSI) dat de inspectie van verdachte schepen op de open zee decreteert.

Een nucleair Iran betekent echter tevens de doodsteek voor het Non-proliferatieverdrag, en wellicht ook voor de vele inspectieregimes die daarmee zijn verbonden. Immers, Iran is een volwaardig lid van het NPV, staat onder volledige inspectie van het Internationale Atoombureau IAEA en zou middels een nucleaire `breakout' duidelijk maken dat dit nochtans onvoldoende is om proliferatie te voorkomen. En wat zou de westerse reactie zijn ten aanzien van zo'n nucleair Iran?

De Europese Unie zal moeten erkennen dat het beleid van pappen-en-nathouden geen effect heeft gesorteerd. De Europese Unie kan Teheran slechts met boze communiqués om de oren slaan en een handelsakkoord op de lange baan schuiven, maar veel valt hiervan niet te verwachten. Irans lidmaatschap van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) zal langer worden uitgesteld, en de regering in Washington kan retorisch natuurlijk nog een paar tandjes bijschakelen in de verkettering van de mullahs. Maar aangezien de Verenigde Staten al decennia geleden de handelsbetrekkingen met Iran hebben afgekapt, valt dit land nauwelijks meer extra pijn te berokkenen.

Dit Iraanse voorbeeld zal na verloop van tijd navolging vinden. De Verenigde Naties hebben onlangs aangegeven dat van de zestig landen die kerncentrales of nucleaire laboratoria hebben, zeker veertig over de knowhow beschikken om binnen korte tijd kernwapens te fabriceren. Een Iraanse kernmacht doorbreekt het taboe op nucleaire proliferatie en ondermijnt het beetje vertrouwen dat het NPV-systeem nu nog heeft. Wat belet landen als Japan en Taiwan dan nog om de stap naar een kernwapenmacht te zetten? Alleen de verbeelding stelt grenzen aan de nucleaire wereld die daarna in het verschiet ligt.

Is dit schrikbeeld nog te voorkomen? De Verenigde Staten zouden nog een laatste poging kunnen wagen een nucleair Iran te verijdelen door de diplomatieke betrekkingen met Teheran weer op te nemen en na `goed gedrag' de volledige integratie van dit land in de wereldeconomie in het vooruitzicht te stellen, waaronder het lidmaatschap van de Wereldhandelsorganisatie. Het moge immers duidelijk zijn dat Iran niet valt te isoleren en chanteren, aangezien China nu al één van de grootste afnemers van Iraanse olie is. Deze Amerikaanse toenadering tot Teheran zal in Iran tevens de heersende paranoia kunnen wegnemen, evenals het idee door vijanden omsingeld te zijn.

Daar komt nog eens bij dat een nucleair Iran wel een nieuwe gesprekspartner zal moeten worden van Washington, aangezien de Verenigde Staten bezorgd zijn dat nucleaire kennis en materiaal in handen van terroristen belandt. Dit is voor Amerika belangrijker dan een nucleair Iran an sich. Europa kan nu weinig anders doen dan afwachten en proberen zo'n dialoog tussen de Verenigde Staten en Iran salonfähig te maken. De regering-Bush lijkt voorlopig echter niet van zins zo'n ommezwaai te maken.

De conclusie is dat het Westen een nucleair Iran niet kan voorkomen, en nauwelijks kan straffen. Militaire opties zijn uitgesloten; economische sancties hebben nauwelijks nut. We moeten ons daarom opmaken voor een nucleaire wereldorde met nieuwe kernmachten en nieuwe regels.

Dr. P. van Ham is verbonden aan het Instituut Clingendael

    • Peter van Ham