Minder migranten moeten inburgeren

Minister Verdonk (Vreemdelingenzaken, VVD) gaat haar Wetsvoorstel Inburgering ingrijpend aanpassen. Het aantal migranten dat verplicht wordt in te burgeren wordt teruggebracht van de beoogde 775.000 tot waarschijnlijk de helft.

De maatregel is een gevolg van een nog vertrouwelijk advies van de Raad van State van 1 juli. In Verdonks oorspronkelijke voorstel zouden alle migranten tussen 16 en 65 jaar worden verplicht een inburgeringsexamen te doen. Nu wil zij dit in ieder geval beperken tot migranten die na 1975 in Nederland kwamen.

Van de verplichting zouden worden uitgezonderd Nederlanders die buiten de Europese Unie zijn geboren en buitenlanders die tot Nederlander zijn genaturaliseerd. De laatste groep wordt op 315.000 geschat. Ook kinderen van expats die zich in Nederland vestigen zouden worden uitgezonderd.

Volgens de Raad van State zijn de oorspronkelijke plannen van Verdonk juridisch niet houdbaar. Het belangrijkste bezwaar van de Raad is dat in Verdonks voorstel burgers uit de Europese Unie uitgezonderd zijn van de inburgeringsplicht, terwijl Nederlanders die buiten de EU zijn geboren en tot Nederlander genaturaliseerde buitenlanders van buiten de EU, wel verplicht zouden worden in te burgeren. De Raad meent dat Nederlanders daardoor benadeeld worden ten opzicht van andere burgers van de Europese Unie en dat dit niet is te verenigen met het gelijkheidsbeginsel.

De Raad beroept zich in het advies, waarover deze krant beschikt, op het Europese Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens, het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en op de Grondwet die in artikel 1 gelijke behandeling van burgers waarborgt.

In een eveneens vertrouwelijke notitie, waarover deze krant beschikt, stelt de directeur wetgeving van het ministerie van Justitie aan Verdonk voor grotendeels tegemoet te komen aan de kritiek van de Raad van State omdat deze ,,een tamelijk vergaand, maar zeker niet onbegrijpelijk standpunt'' inneemt. De ambtelijke notitie waarschuwt de minister tevens dat tegen het advies van de Raad van State ingaan tot gevolg zal hebben dat ,,we (tot en met de Eerste Kamer) in ingewikkelde juridische discussies terechtkomen''. Verdonk wordt geadviseerd de discriminatie uit haar wetsvoorstel te halen en langs andere wegen de belangrijkste doelgroepen, allochtone vrouwen die kinderen opvoeden en werkloze migranten, te verplichten de taal te leren en kennis van de samenleving op te doen.

Het belangrijkste adviesorgaan van de minister, de Adviescommmisie Vreemdelingenzaken, oordeelde eerder ook dat Verdonks wetsvoorstel juridisch onhoudbaar was. Wel bood de commissie een juridische uitweg: niet de nationaliteit of de plaats van geboorte moet bepalend zijn, maar of iemand ten minste acht jaar van de leerplichtige periode in Nederland was. Verdonk nam dat advies over.

Inburgeren: pagina 3