De pijn van de olieprijs

De verdubbeling van de olieprijs sinds het midden van 2003 lijkt de economische wereld niet te hebben veranderd. In het westen is de economische groei er niet aantoonbaar door gedaald. In plaats daarvan zijn de afgelopen drie jaar gouden jaren voor de Amerikaanse economie geweest, en heeft de Europese economie het ook niet al te beroerd gedaan. Maar uiteindelijk is de pijn slechts uitgesteld.

Ruwe olie nam al 1,5 procent van het bruto binnenlands product (bbp) van de rijke landen voor zijn rekening, toen hij nog maar 30 dollar per vat kostte. Grof gesteld betekent de stijging naar 60 dollar een jaarlijkse overdracht van olieconsumenten naar olieproducenten van nog eens 1,5 procent, ofwel 1.000 miljard dollar, wereldwijd. Met andere woorden: er moet een `belasting' worden betaald ter hoogte van bijna een half jaar economische groei. Waarom zijn daarvan dan nog geen sporen in de economie terug te vinden? Daar zijn drie redenen voor.

Ten eerste is de feitelijke last van de hogere prijs veel lager dan bovenstaand sommetje suggereert. Als rekening wordt gehouden met factoren als de binnenlandse energieproductie wordt de wissel gehalveerd die op het bbp wordt getrokken. Ten tweede is het grootste deel van deze `oliebelasting' nog niet betaald. Omdat veel olie lang van tevoren wordt verkocht, betalen veel afnemers nu nog de prijs die vorig jaar gold.

Tenslotte hebben de olie-exporteurs tijd nodig om hun importen te verhogen. Het grootste deel van de extra inkomsten is dus eenvoudigweg op de financiële markten terechtgekomen. Dat gebeurde ook tijdens de voorgaande olieprijsexplosie in de jaren zeventig, maar de markten waren toen minder internationaal, zodat de olie-inkomsten niet zo snel naar de olieconsumerende landen konden worden teruggesluisd. Dat is deze keer wel gebeurd, waardoor de rente laag is gebleven.

Die lage rente gaat samen met een andere noviteit. Een generatie geleden peinsden de consumenten die meer moesten betalen voor hun benzine er niet over om het extra geld daarvoor te lenen. Maar nu doen ze dat wel, zodat de olie-exporterende landen in feite een groot deel van de `oliebelasting' aan hun klanten hebben teruggegeven, zij het tijdelijk. Maar als de olieprijs op 60 dollar per vat blijft staan, of nog verder stijgt, zullen landen als Saoedi-Arabië en Rusland uiteindelijk beginnen hun grote reserves aan petrodollars en petro-euro's uit te geven aan goederen en diensten, en niet aan obligaties. Belastingen kunnen niet eindeloos worden ontdoken.

Onder redactie van Hugo Dixon. Voor meer commentaar: zie www.breakingviews.com. Vertaling Menno Grootveld.

    • Edward Hadas