Sharon wil helemaal geen twee staten

Ondanks de ophanden zijnde ontruiming van joodse nederzettingen in de Gazastrook en de Westoever streeft Sharon naar een Groot-Israël, meent J.C. Mühren.

Oud-correspondent Salomon Bouman meent in zijn artikel `Generaals tegen kolonisten' (NRC Handelsblad, 23 juli), dat Sharon evenals zijn voorgangers Rabin en Barak tot het inzicht is gekomen dat voortduring van de bezetting het joodse karakter van de Israëlische democratie in gevaar brengt. Dat hij Sharon op één lijn plaatst met Rabin en Barak en hem toedicht tot een ander inzicht te zijn gekomen, behoeft commentaar. Ik geef dat aan de hand van kanttekeningen bij Sharons militaire en politieke loopbaan.

Anders dan Rabin en Barak, die de functie van chef-staf hadden vervuld – en die later als premier van de Arbeiderspartij vredesregelingen nastreefden – is Sharon nooit voor zo'n militaire topfunctie in aanmerking gekomen. Als jong officier was hij al berucht om de vanaf 1953 onder zijn leiding uitgevoerde bloedige wraakacties. Tijdens de Sinaï-oorlog van 1956 voerde Sharon een nog niet toegestane actie uit. In plaats van een verkenningspatrouille stuurde hij er een zware gevechtspatrouille op uit, waardoor tientallen eigen militairen sneuvelden. Ook tijdens de Oktoberoorlog van 1973 begon Sharon met zijn divisie zijn `eigen oorlog' te voeren. Dit leidde opnieuw tot zware verliezen in eigen gelederen.

Samen met Amerikaanse en Britse collega's heb ik begin jaren '80 de invasie van Libanon, uitgevoerd door de minister van Defensie Sharon, gevolgd. Niet één van Israëls doelstellingen werd bereikt. Ik noem hier alleen het bloedbad in Sabra en Chatilla. Israëls Kahancommissie achtte Sharon hiervoor indirect verantwoordelijk. Hij moest wel terugtreden als minister van Defensie (Wij vonden hem direct verantwoordelijk.)

Terecht stelt Bouman dat Sharon onder premier Begin de motor is geweest van tientallen nederzettingen in bezet gebied. Hij vermeldt niet, dat Sharon later onder premier Netanyahu daarmee op nog grotere schaal is doorgegaan op de nieuwe post van Nationale Infrastructuur.

In de zomer van 2000 gaf Sharon als politiek leider van Likud herhaaldelijk aan niet akkoord te zullen gaan met het vredesplan dat toen in Camp David op tafel lag. Om te onderstrepen dat Jeruzalem nooit zou worden verdeeld, wandelde hij eind september 2000 met een zware beveiliging naar de Harm al-Sharif/Tempelberg. Hij loste zo het startschot voor de tweede intifadah.

Na zijn aantreden als premier in 2001 deed Sharon van zich spreken met de vernietiging van de infrastructuur van de Palestijnse Autoriteit, met het negeren van het door alle Arabische landen gesteunde Saoedische vredesplan van 2002, de bouw – vooral in Palestijns gebied – van zijn veiligheidsmuur en met de liquidaties van Palestijnen die van terreur werden verdacht.

Na de lancering van de Routekaart – waaraan van president Bush niet getornd mocht worden – kwam Sharon met zijn Gazaplan. Sharons adviseur Weisglass heeft vorig jaar in Washington vele malen met Condoleezza Rice (toen nog Nationaal Veiligheidsadviseur) over het plan van Sharon gesproken. Weisglass verklaarde in oktober 2004 in de krant Haaretz, dat het Gazaplan gericht is op: bevriezing van het vredesproces, voorkoming van de vestiging van een Palestijnse staat en voorkoming van discussies over zaken als Jeruzalem, toekomstige grenzen en de terugkeer van vluchtelingen.

Na de ophef over dat interview ontsloeg Sharon zijn adviseur niet. Hij liet wel – tegen de Routekaart in – alle activiteiten voortzetten die een `levensvatbare Palestijnse staat' in de weg staan, zoals de verdere uitbouw van nederzettingen, de bouw van de veiligheidsmuur op de verkeerde plaats, de onteigening van Palestijnse bezittingen in Jeruzalem, enzovoort.

Al heeft Sharon, zoals Bouman stelt, lak aan een Messiaans geïnspireerde ideologie, hij is naar mijn mening niet van inzicht veranderd. Hij streeft nog steeds naar een Groot-Israël. Anderzijds hoop ik, dat niet ik maar Salomon Bouman het bij het rechte eind heeft en dat Sharon ná Gaza kiest voor serieus vredesoverleg. Voorshands denk ik echter, dat alléén daadkracht en zware druk van het kwartet van de Routekaart (Verenigde Staten, Verenigde Naties, Europese Unie en Rusland) ertoe kan leiden, dat het Gazaplan spoedig een vervolg zal krijgen.

J.C. Mühren was Defensie-attaché in de jaren 1981-1985 in onder meer Libanon en Syrië.

www.nrc.nl/opinie

Artikel Salomon Bouman.

    • J.C. Mühren