Schotse idealist ook als `backbencher' prominent

Robin Cook, die afgelopen zaterdag tijdens een bergtocht in Schotland op 59-jarige leeftijd aan een hartaanval bezweek, was de afgelopen decennia een van de gezichtsbepalende figuren van de Britse Labour-partij.

Hoewel de voormalige minister van Buitenlandse Zaken de laatste jaren wat aan de zijlijn was geraakt door een diepgaand conflict met premier Tony Blair over `Irak' werd er alom van uitgegaan dat Robin Cook in een later stadium een comeback als minister zou vieren.

Cook was de zoon van een leraar, die zelf uit een Schotse mijnwerkersfamilie kwam. Al vroeg raakte hij onder invloed van het gedachtegoed van Labour, met name de strijd voor sociale rechtvaardigheid. Kort na zijn studie in Edinburgh werd hij in 1974 in het Lagerhuis gekozen. Als scherp debater maakte Cook met zijn kenmerkende rossige haar en baardje – later geleidelijk wit geworden – in het Lagerhuis furore. In 1983 werd hij in Labours schaduwkabinet opgenomen. Pas veertien jaar later kwam Labour, onder zijn rivaal Tony Blair, weer aan de macht.

Het Schotse Lagerhuislid, gevreesd om zijn scherpe tong en intellect, onderscheidde zich tijdens zijn 35-jarige loopbaan vooral op het terrein van de buitenlandse politiek. Als minister was hij na Labours verkiezingszege van 1997 een van de drijvende krachten achter de humanitaire interventie in de Kosovo-crisis twee jaar later. Het was een gedurfde operatie, omdat die niet was gelegitimeerd door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Cook was er echter van overtuigd dat het Westen diende in te grijpen om nieuwe slachtpartijen onder de Albanese bevolking van Kosovo te voorkomen.

De interventie paste in de `ethische dimensie', die Cook in het buitenlands beleid nastreefde. Cook moest al spoedig ervaren, zoals andere idealisten voor hem, dat zulk beleid in de praktijk vaak moeilijk op een consequente manier is vol te houden. Zo moest hij zich met tegenzin neerleggen bij de levering van Britse Hawk-jachtvliegtuigen aan Indonesië, terwijl dat land op dat ogenblik de mensenrechten op grote schaal schond in Oost-Timor. Economische belangen wogen zwaarder.

Cooks meest opzienbarende optreden op het terrein van de buitenlandse politiek speelde zich in 2003 af, toen hij zelf al geen minister van Buitenlandse Zaken meer was, maar namens de regering als minister de betrekkingen met het Lagerhuis behartigde. Cook kon zich niet verenigen met de door de Britse regering gesteunde inval in Irak.

Hij wist zich op dat moment volgens opiniepeilingen gesteund door een meerderheid van de Britten. Ook een aanzienlijke minderheid van de Labour-aanhang voelde zich hoogst onbehaaglijk bij de aanstaande oorlog. Met de van hem bekende welsprekendheid kondigde Cook in maart 2003 zijn ontslag als minister aan. Hij achtte de inval onwettig en hekelde het feit dat de inval niet was goedgekeurd door de Veiligheidsraad van de VN.

Met zijn stap had Cook wellicht gehoopt het kabinet-Blair ten val te brengen maar die val bleef uit. Alleen minister van Ontwikkelingssamenwerking Clare Short volgde korte tijd later Cooks voorbeeld. Ondanks `Irak' wist Blair twee jaar na de inval in Irak toch weer de verkiezingen te winnen, Cook bleef zo een backbencher in het Lagerhuid voor het Schotse district Livingston. Via scherpe krantencolumns bleef Cook niettemin een prominente rol spelen in het openbare debat, als vertegenwoordiger van de linkervleugel in zijn partij.

Toen Robin Cook eenmaal minister van Buitenlandse Zaken was, raakte hij al snel in grote verlegenheid door zijn privéleven. De minister bleek er een maîtresse op na te houden. Volgens de overlevering stelde de perschef van premier Blair, Alastair Campbell, Cook daarop voor de keuze: of je huwt je maîtresse, of je laat haar vallen, anders ben je je baan kwijt. Zonder aarzelen koos Cook voor het eerste. Hij belde naar verluidt nog vanaf het vliegveld, waar hij voor een buitenlandse reis was, zijn echtgenote op om het einde van hun huwelijk aan te kondigen.