Natuurkundige als superster

Ik was het na de diepe teleurstelling van vorige week zondagavond niet van plan, maar gisteren stemde ik toch maar weer af op Zomergasten. Het was door een artikel van de gast zelf in M dat ik er nog maar eens een keertje voor ging zitten. Gelukkig maar, want deze keer stelde de gast noch zijn gesprekspartner me teleur. Integendeel. Het mooie van Robbert Dijkgraaf is dat hij zo over zijn werk kan vertellen dat ik snap wat ik nooit zal begrijpen.

De bevlogenheid waarmee hij de schoonheid van de natuurkunde beschreef vond ik netjes ingetogen. Tel daarbij op dat Dijkgraaf ook nog een aantrekkelijke man is en je hebt in de combinatie Dijkgraaf-Palmen de mooiste Sterspot voor de exacte wetenschap die je kunt bedenken. Deze natuurkundige heeft alles in huis om een idool en superster te worden en dan staan de bèta-studenten vanzelf in rijen van drie te dringen bij de universiteiten.

Een boeiend televisieavondje dus en toch dwaalden de gedachten af en toe even af. Gek genoeg naar de Hongaarse Opstand. Hoewel wij toen al een tijdje televisie hadden, zijn de beelden van Boedapest waar de Russische tanks kwamen binnenrollen in mijn hoofd als de eerste echte televisieherinneringen opgeslagen. Misschien dat Zomergasten je bij jezelf te raden doet gaan welke televisiefragmenten je zelf zou kiezen omdat ze een meer dan gemiddelde betekenis voor je hebben. Van de Hongaarse journaalbeelden van toen weet ik het wel. Mijn vader vond televisie een machtige uitvinding. Hij dacht zelfs dat met zo'n alziend oog op de wereld gericht het wel nooit meer oorlog zou worden. Als kind dat in herrijzend Nederland omringd werd door angstig makende verhalen over de oorlog wilde ik dat maar al te graag geloven. De televisie maakte mijn wereldje ineens een stuk veiliger. Totdat de Hongaarse opstand het dilemma zichtbaar maakte waarmee we tot op de dag van vandaag worstelen, al begreep ik dat toen nog niet.

Terwijl ik in mijn onschuld dacht dat de Amerikanen, die je toen nog onze bevrijders mocht noemen, de moedige Hongaren wel te hulp zouden schieten, zagen de volwassenen om me heen in een Amerikaans ingrijpen het schrikbeeld van een nieuwe wereldbrand en zij baden in stilte om de betrekkelijk veilige status quo van de Koude Oorlog. Vrede? Het mocht wat. Na Boedapest heb ik nooit meer in een vanzelfsprekende samenhang tussen televisie en een vrediger wereld geloofd.

Een halve eeuw later zag ik live hoe een vliegtuig zich in een van de Twin Towers boorde. Sinds Boedapest heb ik door het grote ongelijk van mijn vader last van schaamte omdat ik de ogen niet kan losrukken van alle rampspoed die live mijn huiskamer bereikt. Schaamte die het gevolg is van het besef dat de televisie ook de aanjager kan zijn van agressie en van wanhoop omdat je er op het moment dat je het ziet gebeuren al niets meer aan kunt doen. Wie was toch ook al weer die Russische schrijver die zo ongeveer beschreef dat het wederzijds begrip tussen mensen na een dagreis te paard begint te slijten? Ik heb dat altijd verstaan als de actieradius van de culturele door taal ingegeven tolerantie. Misschien is de televisie te snel voor de ruiter te paard die we diep van binnen nog zijn. En raken we ontheemd en voelen we ons bedreigd als we te ver van huis zijn.

Dan is de tijd en ruimte die de televisie overbrugt niet bindend maar vervreemdend en verklaart dat het grote ongelijk van mijn vader. Omdat de publieke omroepen hun uitzendingen niet onderbreken met reclameboodschappen moet ik nu nog de kattenbakken gaan verschonen. Wie zei dat mijn leven niet beheerst wordt door televsie?

Hoofdredacteur van Big Brother en oud-hoofdredacteur van het weekblad Weekend Hummie van der Tonnekreek kijkt deze week naar de televisie.

    • Hummie van der Tonnekreek