We maken schoenen voor jullie

Vijftien uur per dag werken de arbeidsmigranten in Zuid-China aan schoenen. Goedkope schoenen voor de westerse markt, die ze zelf niet kunnen betalen. Maar Zuid-China maakt een boom door waardoor werknemers ook daar steeds meer te kiezen hebben. En werkgevers alweer uitkijken naar goedkopere regio's.

De 24-jarige Yuan Na loopt in de middaghitte wat te slenteren in de stoffige straten tussen de fabrieken in de Zuid-Chinese stad Dongguan. Het is zondag, maar dat is voor haar geen vrije dag. Ze heeft alleen even pauze om wat te eten, dan moet ze weer achter de naaimachine in de schoenenfabriek waar ze werkt.

,,Ik ben vanmorgen om half acht begonnen, en ik moet nog door tot elf uur vanavond'', vertelt ze gelaten. Vindt ze dat niet veel te zwaar? ,,Als ik maar wat geld mee naar huis kan nemen, dan ben ik tevreden'', zegt Yuan Na, die zes jaar geleden van het arme platteland van de Centraal-Chinese Provincie Hubei naar Dongguan kwam.

Haar loon ligt inmiddels relatief hoog, omdat ze nu een ervaren kracht is. Ze verdient zo'n 80 euro per maand, en ze heeft het geluk dat ze dat geld nog echt in handen krijgt ook. ,,Veel bedrijven beloven je wel een garantieloon, maar als ze onvoldoende orders binnenkrijgen, dan betalen ze je alleen maar het stukloon voor de paren die je werkelijk maakt. Ik weet in elk geval zeker dat ik elke maand minimaal mijn garantieloon krijg uitbetaald.''

Yuan Na woont met elf andere meisjes in een kamer vol stapelbedden op het fabrieksterrein. Eten en verblijf kosten haar zo weinig dat ze van haar loon elk jaar zo'n 600 euro overhoudt, voor haar een heel bedrag. ,,Als ik maar kan sparen'', antwoordt ze telkens weer op vragen over haar arbeidsomstandigheden.

Arbeider Ni Guangrong is minder gelaten. ,,We maken hier schoenen voor jullie buitenlanders, maar zelf kunnen we zulke dure schoenen nooit betalen'', zegt hij voor de poort van schoenenfabriek MCM. De 21-jarige Ni, die op zijn vijftiende naar Zuid-China kwam, werkt nu drie jaar in schoenenfabrieken. ,,Ze nemen je pas aan als je achttien bent, want ze willen niet beschuldigd worden van kinderarbeid. De eerste drie jaar heb ik in de bouw gewerkt.'' Als hij door wil praten, wijzen zijn collega's hem op de bewakers aan de poort, die steeds meer belangstelling voor ons gesprek beginnen te krijgen. Dan gaat Ni liever gewoon weer aan het werk.

Arbeiders van de fabrieken in Dongguan willen nog wel praten over hun werk. Maar het management wil aan journalisten geen opening van zaken geven over de wijze waarop China de werkplaats van de wereld is geworden en zich razendsnel ontwikkelt tot een nieuwe economische grootmacht die Amerika en het oude Europa angst inboezemt. Ze hebben geen enkele behoefte aan pottenkijkers. De Chinese fabrikanten voelen de druk van de mensenrechtenorganisaties en internationale arbeidsorganisaties die de arbeidsomstandigheden in de fabrieken aan de kaak stellen. Ook deze organisaties proberen ze buiten de deur te houden, zodat die voor hun informatie vooral afhankelijk zijn van gesprekken met arbeiders buiten de fabriekspoorten. Alleen aan wie zich uitgeeft voor bijvoorbeeld een bedrijfsconsultant willen de fabrikanten laten zien hoe ze China tot een hoofdrolspeler in de globalisering hebben gemaakt.

De bloei van de schoenenfabrieken in Dongguan is zowel oorzaak als gevolg van de globalisering. Meer dan de helft van de schoenen die in de hele wereld gedragen worden, komt tegenwoordig uit China. Dongguan neemt van die export ruim 10 procent voor zijn rekening, onder omstandigheden die in Europa en Amerika ondenkbaar zijn geworden. In 2002 stonden er 1.200 schoenenfabrieken met 300.000 werknemers, en hun aantal is sindsdien alleen maar gegroeid.

De exportquota op schoenen zijn net als die op textiel per 1 januari van dit jaar weggevallen, en dat heeft geleid tot een ware exportexplosie naar Europa en Amerika. Europa stelt dat er in de eerste vier maanden van dit jaar bijna zeven keer zo veel schoenen uit China zijn binnengekomen als in het jaar daarvoor.

Goedkoop

Dongguan, dat vijfentwintig jaar geleden nog bestond uit afzonderlijke boerendorpen temidden van uitgestrekte rijstvelden, is uitgegroeid tot een agglomeratie met zo'n zes miljoen inwoners. De meesten daarvan zijn opvallend jong en bijna niemand komt uit Dongguan zelf. De fabrieken nemen bij voorkeur vrouwen tussen de 18 en 25 jaar aan die uit afgelegen, arme provincies van China komen. Het zijn gastarbeiders in eigen land, die werk doen waar de lokale bevolking te rijk voor is. Die kan namelijk goed leven van het geld dat ze hebben gekregen als compensatie voor het verlies van hun rijstvelden toen er fabrieken moesten komen.

Dongguan is vooral aantrekkelijk wegens de goedkope, niet bepaald mondige, arbeidskrachten als Yuan Na. Ook grote merken als Timberland, Reebok, Nike, en Louis Vuitton laten er daarom hun schoenen maken. Zij besteden hun productie uit aan de vele Hongkongse en Taiwanese fabrikanten die in de jaren negentig hun fabrieken naar Dongguan verplaatsten.

,,Je kunt hier twintig arbeiders inhuren voor de prijs van één bij jullie in Europa, dus geen wonder dat we hier zoveel schoenen maken'', zegt Jason Lee, een Taiwanees die bij de Simona-schoenenfabriek in Dongguan werkt als manager. Hij kijkt naar de voeten van de bezoeker, en ziet een paar Teva-sandalen die een paar jaar terug in een van deze fabrieken zijn gemaakt.

Per paar schoenen betaalt een schoenenfabriek tussen de 50 en 60 eurocent aan arbeidsloon, meer niet. Dat berekende de in New York gevestigde organisatie China Labor Watch vorige maand op basis van gesprekken met werknemers bij een Zuid-Chinese schoenenfabriek. Dan gaat het om fabrieken die dure merken als Nike en Timberland produceren, de makers van discount-schoenen betalen waarschijnlijk nog minder, want in Wen-zhou in Oost-China kun je al voor 80 eurocent een paar schoenen inkopen.

Merkschoenen

De fabriekshallen van de Simona-fabriek zijn immens. Onder grote, roestige ventilatoren zitten zo'n 6.000 jonge arbeiders in felgele poloshirtjes achter hun naai- stans- en modelleermachines. Ze maken uitsluitend merkschoenen voor de export naar Europa en Amerika, maar ze maken in deze fabriekshal wel alle merken door elkaar. Boven de stansmachines hangen bordjes met daarop het merk schoen dat ze op die machine produceren: bruine leren schoenen voor Timberland, sandalen voor Teva en stevige stappers voor Clarks. Allemaal komen ze uit één en dezelfde fabriek. Op de begane grond gaan de Timberlands in groene kartonnen dozen, die zo in de schappen van schoenenwinkels in Nederland geplaatst kunnen worden als ze van de boot uit Hongkong in Rotterdam zijn aangekomen.

Het is onaangenaam warm in de fabriek, maar het is toch goed zichtbaar dat er regelmatig arbeidsinspecties in opdracht van buitenlandse klanten plaatsvinden: de mensen die aan machines werken die veel herrie produceren, hebben anders dan in veel andere Chinese fabrieken netjes oordoppen in. De meisjes die de zolen met een kwastje van een stinkende laag lijm voorzien, dragen blauwe mondkapjes. ,,Ze worden ook regelmatig medisch getest om te zien of ze niet te veel gifstoffen binnenkrijgen'', zegt de jongen die de fabriek laat zien.

De Simona-fabriek is onderdeel van het veel grotere Stella-schoenenconcern, dat zes fabrieken in Dongguan heeft. Stella maakt met 42.000 werknemers zo'n vijftig verschillende internationale schoenenmerken, zo vertelt Lee trots.

Hoe zijn de arbeidsomstandigheden in de fabriek? ,,Heel goed, we hebben zelfs het maximum aantal uren per week teruggebracht naar zestig, en de mensen verdienen hier tussen de 80 en 100 euro per maand. We hebben dan ook geen moeite om arbeiders te vinden'', zegt Lee.

Toch hangt er buiten tegen de gevel een groot rood spandoek waarop staat dat de fabriek ,,heel veel'' nieuwe arbeiders zoekt. Heel Zuid-China wordt geteisterd door een gebrek aan arbeidskrachten, en ook Simona ontkomt daar niet aan. Door de éénkindpolitiek, die begin jaren tachtig begon, komen er elk jaar minder jonge arbeidskrachten beschikbaar. Die hebben bovendien meer keuze, omdat steeds meer delen van China geïndustrialiseerd raken. De fabrieken rond Shanghai zijn moderner dan die in Zuid-China, en daarmee aantrekkelijker voor de arbeiders. Je kunt rond Shanghai ook meer verdienen als je over specifieke vaardigheden beschikt.

De schaarste bij Simona heeft misschien ook te maken met beruchte stakingen die in de lente van 2004 in twee andere Stella-fabrieken in Dongguan uitbraken. De arbeiders hadden er dag en nacht aan grote orders gewerkt in de hoop dat ze hun inspanningen ook in hun loonzakje terug zouden zien. Toen dat onvoldoende het geval bleek, sloegen de arbeiders anderhalve dag aan het muiten. Ze keerden de dure wagen van de eigenaar op z'n kop en sloegen hun eetzaal en een computerruimte uit spontane frustratie aan gruzelementen.

Acht gastarbeiders die als aanstichters van de rellen werden gezien, werden veroordeeld tot gevangenisstraffen van maximaal 3,5 jaar voor het vernielen van fabriekseigendommen. Hun Pekingse advocaat Gao Zhisheng draaide de zaak echter om: niet de relschoppers, maar de fabriekseigenaren waren door hun ongehoorde inhaligheid verwantwoordelijk voor de rellen. Gao richtte zijn verwijt ook aan de communistische partij, die volgens hem niet de kant van de arbeiders, maar steeds weer die van de kapitalistische ondernemers kiest. Hij noemde het gebrek aan het recht van de arbeiders om hun grieven te uiten als de wezenlijke oorzaak van het probleem. Dat is geen vreemde stelling in een land waar de vakbond een orgaan van de overheid is.

Voor Reebok, Nike, Timberland en andere schoenenfabrikanten was de veroordeling van de acht, die ook internationaal tot veel publiciteit leidde, een gênant probleem. Zij worden regelmatig aangevallen door mensenrechtengroepen om de manier waarop ze hun schoenen laten produceren in Chinese `sweatshops'. Toen de acht veroordeeld werden, riepen de internationale producenten de Chinese rechters dan ook op om de straf te verlichten.

Dat gebeurde, en dat is voor China uitzonderlijk. Het maakt duidelijk dat China zich ervan bewust is welke schade de westerse publieke opinie aan China als productieland kan doen.

Rubber buitenzolen

Het probleem waar multinationale schoenengiganten als Nike mee te maken krijgen, is in feite zo oud als de globalisering. De bedrijven trekken naar landen waar de productie zo goedkoop mogelijk is, want ze willen hun slagkracht ten opzichte van hun concurrenten behouden of verbeteren.

Zij bieden er arbeidsomstandigheden aan die beter zijn dan die in de gemiddelde fabriek ter plaatse, want hun ethische standaarden liggen er onder druk van de internationale publieke opinie noodzakelijkerwijs hoger. Toch blijven de omstandigheden veel slechter dan die in de landen waar hun meeste klanten zitten. Maar juist omdat de arbeidsomstandigheden minder, en de lonen lager zijn, is het interessant om er te produceren.

De Chinese overheid verkeert in een vergelijkbaar dilemma. Als zij de rechten van de arbeiders beter beschermt, dan bestaat de kans dat de fabrieken wegtrekken naar India of naar Vietnam. Dat kan China zich nog niet veroorloven: de aanbieders van banen zijn nu nog te hard nodig voor China's economische groei, en daarom beschermt de Chinese overheid haar arbeiders veel slechter dan men juist van een communistische overheid zou mogen verwachten.

Toch is er een kentering zichtbaar. Meneer Yang Jiben, die met 160 werknemers rubber buitenzolen maakt in zijn Dahong-fabriek, krijgt daar direct mee te maken. Hij maakt nu zolen voor merken als Esprit, maar ook voor kleinere producenten van damesschoenen.

In zijn fabriekshal liggen grote witte en bruine pakken rubber waaruit de zolen worden gegoten. Het rubber komt niet uit China, want de prijs daarvan ligt hoger dan die van rubber uit bijvoorbeeld Indonesië. Er staan wat machines in de grote, donkere hal en het ruikt er licht naar chemische stoffen. Er is geen arbeider te bekennen: ze hebben vrij omdat er vandaag geen stroom is.

Twee dagen per week zit de fabriek nu al zonder stroom, één dag meer dan vorig jaar. Door het grote aantal fabrieken in de streek is er een steeds nijpender energietekort ontstaan, en dat treft Yang zwaarder dan de grotere, meer succesvolle fabrieken als Simona die van de overheid makkelijker energie krijgen toegewezen.

Yang, die uit Taiwan komt, voelt zich niet meer welkom in Dongguan. ,,Toen hier de eerste Taiwanese bedrijven kwamen, werden die met open armen ontvangen. Had je land nodig? Dan kon je dat bijna voor niets krijgen. Zocht je duizend arbeiders? De volgende dag stonden die voor je poort. Als je maar wilde investeren, dan kon alles. De overheid was dol op je en legde je in de watten, maar dat is nu helemaal afgelopen'', zegt Yang.

,,Als je een computerfabriek wilt openen, ja, dan ben je nog van harte welkom, maar wij met onze arbeidsintensieve, vuile en vervuilende arbeid worden steeds meer geweerd. De overheid vraagt steeds meer geld voor de grond en ze komen je steeds meer voorschrijven hoe je je fabriek moet runnen. Je kunt ook niet uitbreiden, want je krijgt geen grond meer toegewezen'', aldus Yang.

Ambities

,,De prijs van rubber en van arbeid is verdubbeld sinds ik in 2000 begon, maar de winsten niet. Ik moet mijn zolen nog steeds voor ongeveer dezelfde prijs verkopen. Ik denk erover om mijn fabriek naar Vietnam of India te verhuizen. Daar ben je nog welkom en de arbeid is er veel goedkoper. Als ik er vandaag heen kon, dan deed ik het, maar mijn geld zit hier vast in de fabriek'', aldus Yang.

Lee van Simona heeft veel minder last van een vijandige overheid, vermoedelijk ook omdat hij geen goedkope dumpschoenen, maar juist duurdere schoenen met meer toegevoegde waarde produceert. Zijn bedrijf heeft ook een andere ontwikkelingsstrategie. Als hij hoort van de Nederlandse fabrikant Van Bommel, wordt hij hongerig. Van Bommel mag dan een in Chinese ogen minieme fabriek met `maar' 140 werknemers zijn, Lee is zeer geïnteresseerd in de productie van schoenen in het topsegment van de markt. ,,We gaan ook Prada of Louis Vuitton maken. We doen dat niet zozeer om de winst, maar om er iets van te leren. Misschien kan dat met Van Bommel ook'', aldus Lee.

De leergierigheid van het Stella-concern heeft veel met de toekomstplannen te maken. ,,We willen een eigen Chinees merk topschoenen ontwikkelen, en dat willen we binnen vijf jaar in duizend eigen schoenenwinkels in China verkopen. Daarvoor hebben we een Italiaanse ontwerper en een Braziliaanse leestenmaker ingehuurd. We hebben ook iemand naar Italië gestuurd die daar de interessante ontwikkelingen voor ons in de gaten houdt'', aldus Lee trots.

Toch is de belangrijkste grondstof voor de schoenen, het leer, niet in Dongguan voorhanden. Leerlooierij is zo'n vervuilende industrie dat de overheid er geen leerlooierijen toelaat. ,,Het leer dat wij hier verkopen, is gelooid in de buurt van Peking'', vertelt Qiao Wensheng, die zacht leer in alle kleuren aanbiedt op een markt waar je naast leer ook losse naaldhakken, ges-pen, leerbewerkingsmachines, lijm en wat je verder nog nodig hebt voor de productie van schoenen kunt inkopen.

,,We hebben geprobeerd om bij ons ook schoenen voor de export te maken, maar dat is ons niet gelukt. We zaten te ver van de markt om goed te weten waar vraag naar was. Nu leveren we een halfproduct: leer dat hier nog nader bewerkt moet worden om het precies zo te maken als de klant het nodig heeft.''

Om voor exportschoenen geschikt te zijn, mag het leer geen sporen van benzeen en bepaalde andere giftige stoffen bevatten, chemicaliën die bij het leer voor de binnenlandse markt wel volop worden gebruikt.

Simona koopt zijn leer niet op de markt, maar rechtstreeks in Brazilië, Argentinië, Taiwan, Zuid-Korea en ook in China. ,,We zijn bezig met het openen van een eigen leerlooierij in Huizhou, in een ander deel van deze provincie. We willen steeds meer van de keten in eigen hand hebben.''

Dat lukt al heel aardig: de schoenen die de fabriek voor Timberland maakt, hebben nu nog zolen die uit fabriekjes als die van meneer Yang komen, maar vanaf volgend jaar worden de buitenzolen gemaakt in een nieuwe Stella-fabriek in Vietnam. Op Taiwan, waar het bedrijf oorspronkelijk begon, vindt helemaal geen productie meer plaats, alleen de financiële administratie zit er nog.

Met de export van Chinese schoenen is iets vreemds aan de hand: de fabrieken klagen stuk voor stuk over oplopende kosten, maar tegelijkertijd is de gemiddelde prijs van een paar Chinese schoenen op de Europese markt met bijna een kwart gedaald. Voor 3 euro kan je al een paar merkloze Chinese schoenen inkopen, schoenen die voor 6,99 euro in de winkel liggen. De Europese schoenenproducenten hebben de Europese Unie daarom gevraagd om een onderzoek naar dumping in te stellen: verkopen de Chinese schoenenfabrikanten hun schoenen soms onder de kostprijs? Helemaal onwaarschijnlijk lijkt dat niet. Er is zo'n overaanbod aan Chinese schoenen, zeker ook aan de onderkant van de markt, dat de bedrijven in een moordende concurrentiestrijd om de Europese en Amerikaanse klant zijn beland.

Plastic slippers

De kans dat de Chinese overheid een bewust beleid van dumping voert, is daarbij minder groot. Juist de centrale overheid in Peking wil dat China zich afkeert van goedkope, arbeidsintensieve productie en overgaat op meer hoogwaardige vormen van industrie. China als geheel is niet gebaat bij een moordende onderlinge concurrentieslag, maar de overheid kan de concurrentie moeilijk voorkomen nu de quota zijn weggevallen.

De goedkoopte zit hem er uiteindelijk in dat de arbeid slecht wordt betaald, en de milieukosten maar heel beperkt worden doorberekend. De ironie is alleen dat de Chinese productie te duur wordt zodra de arbeidsomstandigheden verbeteren en de milieuwetgeving strenger wordt toegepast. Dan trekken meneer Yang met zijn rubberzolenfabriek en ook Simona met de hele productieketen gewoon naar landen met nog goedkopere arbeid en minder strakke regels op vervuiling. Ze gaan dan eerst naar India en Vietnam, en uiteindelijk ook naar Afrika. Een Chinese producent van plastic slippers voor de Afrikaanse markt stuurt de slippers nu al niet meer per container uit Dongguan, maar laat ze ter plekke met goedkopere Zuid-Afrikaanse arbeidskrachten maken.

Voor Yuan Na is dat misschien geen ramp. Met het geld dat ze heeft gespaard, kan ze haar toekomst hopelijk zo inrichten dat haar kind later langer naar school kan en niet meer afhankelijk is van de zware, onderbetaalde arbeid in een schoenenfabriek. En wie weet kan de zoon van Ni Guangrong zich later wél een paar Nikes veroorloven.