Wat is een Brit, vraagt de Brit

In Groot-Brittannië is een debat ontstaan over de identiteit van de Britten. ,,Brits zijn betekent niets voor me, maar ik ben er trots op dat ik Engels ben.''

Wat betekent het om Brits te zijn? Erg veel gedachten, laat staan woorden, maakten de meeste Britten tot voor kort niet vuil aan die vraag. Lauw bier, fair play en rode telefooncellen, veel verder gingen hun associaties niet. Velen vonden het een wat ongemakkelijk thema, dat riekte naar chauvinisme waarvoor elke rechtgeaarde Brit zijn neus ophaalde. ,,Gênanter dan pornografie'', in de woorden van Alice Thomson, een columniste van The Daily Telegraph.

De zelfmoordaanslagen van vorige maand in Londen, gepleegd door Britse moslims die hun hele leven of een groot deel ervan in het land hadden doorgebracht, confronteerden de Britten acuut met drie existentiële vragen. Hoe is het mogelijk dat Britten zo vervreemd raken van de rest van de samenleving dat ze hun landgenoten uit alle macht willen opblazen? Hoe kunnen de burgers de rijen voortaan samen gesloten houden? En, in het verlengde daarvan, misschien wel de meest gecompliceerde vraag van allemaal: wat betekent het eigenlijk anno 2005 om Brits te zijn?

Met de gretigheid waarmee Britten vanouds debatteren hebben politici, professoren en journalisten zich nu op het thema Britishness – Britsheid – gestort. Ter linkerzijde waren er voor de aanslagen al aarzelende aanzetten tot deze discussie gegeven door minister van Financiën Gordon Brown en oud-minister van Binnenlandse Zaken David Blunkett. Maar sinds juli wordt het debat gedomineerd door de Conservatieven. Het grootst pakte The Daily Telegraph, een conservatief bolwerk, de zaak aan. Het hield een peiling onder 3.500 Britten over de belangrijkste kenmerken van het land en de Britten die ze het meeste bewonderen. De helft zei er ,,zeer trots'' op te zijn dat ze Brits zijn en nog eens 36 procent is er ,,tamelijk trots'' op. Atlete Kelly Holmes is de meest bewonderde Brit (genoemd door 51 procent), gevolgd door koningin Elizabeth (50 procent).

Het onderzoek bood een fascinerend kijkje in het zelfbeeld van de Britten. Het belangrijkste kenmerk van Britishness, volgens 61 procent van de ondervraagden, was het recht te zeggen wat ze denken. Op een verrassende tweede plaats kwam de manier waarop de Britten in 1940 de Duitsers hadden weten te weerstaan (59 procent). Op plaats drie kwam het Britse gevoel voor billijkheid en fair play (54 procent). En de rode telefooncellen? Die werden slechts door 19 procent als bepalend voor hun beeld van Britishness beschouwd.

De krant ontving een lawine van lezersbrieven, op zichzelf trouwens ook weer een hoogst Brits fenomeen. Vooral Britten in het buitenland uiten vrijelijk hun trots. ,,Het belangrijkste is'', schrijft Mark Newdick uit de VS, ,,dat ons patriottisme intellectueel van aard is en uit overtuiging voortkomt. Het hoeft niet te worden geuit in woorden of met vlaggen, omdat wij in de allerhoogste mate op ons gemak zijn met onszelf.''

Veel Britten voelen zich onbehaaglijk bij zulke zelfgenoegzaamheid. ,,Ik geloof dat het zeer on-Brits is om zo fanatiek te hameren op Britishness'', zei het Conservatieve parlementslid Boris Johnson tegen zondagsblad The Observer. Dat belette Johnson, die zelf aan een boek over Britishness werkt, er niet van terloops te vermelden dat de Britten de mensheid industrialisatie, democratie en voetbal hebben geschonken.

Terwijl Britishness, wat het ook precies mag zijn, snel aan waardering wint, verliest tegelijkertijd een ander concept, dat van het multiculturalisme, terrein. Konden etnische en religieuze minderheden de afgelopen decennia ongestoord, zelfs aangemoedigd door de Britse overheid, hun eigen identiteit in afzondering bewaren, plotseling is dit concept uit de gratie. De voorzitter van de Britse Commissie voor Raciale Gelijkheid, Trevor Phillips, had het multiculturalisme vorig jaar al failliet verklaard. Zijn conclusie was dat het slechts leidde tot versnippering van de samenleving. Er was meer cement nodig voor de samenleving en dat kan volgens hem bevorderd worden door meer nadruk op Britse waarden.

De Labour-partij van Tony Blair heeft zich de afgelopen weken terughoudend opgesteld in de discussie, omdat ze gevoelens van onrust onder de moslimbevolking niet nodeloos wil aanwakkeren. De Conservatief David Davis, de voornaamste kanshebber om dit najaar Tory-leider Michael Howard op te volgen, droeg het multiculturalisme deze week namens zijn partij ten grave. ,,De autoriteiten leken zich vaak drukker te maken over het aanmoedigen van afzonderlijke identiteiten dan over het bevorderen van gemeenschappelijke waarden en een nationaal bewustzijn'', mopperde hij in een ingezonden stuk. ,,Boven alles moeten we openlijk spreken over wat we van onszelf en van degenen die zich hier vestigen verwachten.'' Hij doelde met name op moslims.

Maar wat die Britse waarden exact zijn, is nog allerminst helder. Zeker, over de algemene principes is men het eens: tolerantie en respect voor democratie en mensenrechten. Maar hoever reikt die tolerantie? Mogen islamitische meisjes op school allesbedekkende sluiers dragen? Tot hoever gaat het recht van meningsuiting van radicale imams? Moeten alle preken in het Engels worden gehouden? Moet elke Brit zich er bij neerleggen als de democratisch gekozen regering een islamitisch land binnenvalt, waarbij veel moslims worden gedood? Zulke vragen zijn makkelijker gesteld dan beantwoord.

En met die gemeenschappelijke Britishness wil het intussen ook niet vlotten. Veel Engelsen zien er niets in. ,,Brits zijn betekent niets voor me'', aldus Stuart Perchard in een brief aan The Daily Telegraph. ,,Maar ik ben er heel trots op dat ik Engels ben.'' Oliver Clark uit Londen zegt het zo: ,,Als Engelsman ben ik er trots op een gentleman te zijn, dat ik op een correcte manier verlies en netjes in de rij sta.'' Ook veel Schotten en Welshmen voelen zich niet in de eerste plaats Brits.

Over één kenmerk zijn vrijwel alle Britten het eens. Hun gevoel voor humor is beter dan dat van anderen. ,,Het is Brits om om jezelf te lachen'', schrijft Sandra Martin uit Londen. Maar zelfs op dat punt knaagt onzekerheid. Uit een studie bleek onlangs dat Britten nog maar zes minuten per dag lachen, drie keer minder dan in de jaren vijftig. Is Groot-Brittannië zijn gevoel voor humor kwijt, vroeg The Guardian zich met een knipoog af.