Wandelende duinen 2

Het stuk over wandelende duinen in Zuid-Kennemerland (W&O 16 juli) geeft een aardig beeld van modern natuurbeheer en van het enthousiasme maar ook de onkunde waarmee dit beheer wordt verdedigd. Het Provinciaal Waterleidingbedrijf Noord-Holland heeft bij Zandvoort een stuifduin geschapen (geschept mag je wel zeggen) door een dennenbos op een duintop te kappen en de voormalige akkergrond in de windwaarts gelegen laagte af te graven. Om ons lekker te maken wordt het nieuw ontstane duinlandschap `levend duin' genoemd; hier geeft men `landschappelijke oerkrachten vrij spel'.

Dat het huidige duin klaarblijkelijk dood is en niet meer onderhevig aan oerkrachten wordt dan toegelicht door er op te wijzen dat de konijnen, die het landschap vroeger openhielden vrijwel zijn verdwenen, dit als gevolg van epidemische infectieziekten.

Waar het werkelijk om gaat is de in de jaren 1960 begonnen en nog steeds niet opgeheven bemesting via luchtvervuiling. Door deze bemesting waren bijvoorbeeld de eertijds open duinen bij Oostvoorne omstreeks 1980 al aardig dichtgegroeid. Het stuk in NRC noemt weliswaar deze vorm van bemesting als bijdragende oorzaak, maar de aandacht wordt toch vooral gevestigd op de global warming, die er echter vrijwel niets mee te maken heeft.

Waar het om gaat is dat de levende natuur via de natuurlijke successie vegetatie ontwikkelt die de lokaal heersende milieudynamiek zoveel mogelijk dempt. De duinen van Holland waren tot in de vroege Middeleeuwen grotendeels met bos bedekt. Dat was het `levende duin' en dat waren de `landschappelijke oerkrachten' van wat we noemen de `Oude Duinen'. Echter, de bevolking in Holland nam toe en de duinen werden meer en meer geëxploiteerd. Er werd bos gekapt, het konijn werd ingevoerd en er werd lokaal geweid en landbouw bedreven. Sinds de twaalfde eeuw is er tevens sprake van een verhoogde frequentie van stormvloeden en stormen. Geleidelijk aan raakte het hele duin in beweging; de kustlijn verschoof enkele kilometers landinwaarts (om sinds de negentiende eeuw weer aan te groeien). Dit noemen we de `Jonge Duinen'. Enorme stuifduinen zijn toen ontstaan.

Het spreekt voor zich dat dit stuivende zand veel overlast heeft veroorzaakt. Sinds de negentiende eeuw richtte het beheer zich dan ook steeds meer op het vastleggen van het zand. Aanplant van helmgras in de buitenduinen werd geïntensiveerd, de beweiding werd teruggedrongen, en er werd op grote schaal bos geplant, vooral dennenbos. In de eerste helft van de twintigste eeuw was in een duingebied als Meijendel, en omstreeks 1950 in de duinen van Voorne, een soort optimum ontstaan met aan de ene kant overwegend fraai begroeide duinen en aan de andere kant nog stuivend zand en voldoende areaal aan pioniermilieus met open vegetatie. Ja, en thans zijn de duinen overwegend dichtgegroeid als gevolg van de successie en gaat de biodiversiteit achteruit. En daar willen we wat aan doen.

In duingebieden in het buitenland hebben zich soortgelijke golfbewegingen afgespeeld. De imposante mobiele duinen in de Coto Doñana in Zuid Spanje zijn pas ontstaan in de zeventiende eeuw door boskap, brand en overbeweiding. Daarvoor was het gebied bedekt met bos en in gebruik als jachtgebied.

De boodschap is nu wel duidelijk: stuifduinen zijn het resultaat van menselijk wanbeheer en het is enigzins misleidend hier van levende duinen en landschappelijke oerkrachten te spreken.

    • Prof.Dr. Eddy van der Maarel