Verbeeldingstekort

Triomf van de eenvoud. Voor we weten niet hoeveel geld is eindelijk weer een ruimteveer gelanceerd. Nadat op 21 juli 1969 Neil Armstrong als eerste mens op de maan had gelopen en daar de onvergetelijke woorden That's one small step for a man, one giant leap for mankind had gesproken, geloofde ik het eerlijk gezegd wel. Wat de ruimte te bieden had, las ik in de science fiction, de verhalen van Ray Bradbury, zag ik in de Star Wars films. Interessant, soms meeslepend, en niet geschikt om me in de werkelijkheid van de buitenaardse wereld te verdiepen.

Maar de vooruitgang valt niet te stuiten. Een ruimteveer verongelukte, niet doordat er iets met de ongelofelijk ingewikkelde apparatuur misging, maar nadat een paar hittewerende tegeltjes aan de buitenkant het hadden begeven. Jaren later gaat het volgende ruimteveer de lucht in. Niets is aan het toeval overgelaten, en dan ontstaan er toch moeilijkheden. Niemand had eraan gedacht, maar opnieuw die tegeltjes! Er wordt een buitengewoon ingewikkelde hijskraan met daaraan een astronaut in werking gesteld. Hij moet de schade herstellen. Daartoe is hij uitgerust met een zaagje en een tube lijm. Twee artikelen die je voor een paar euro in iedere ijzerwinkel kunt kopen.

Ik schrijf het zonder leedvermaak. Op de televisie zie je hem aan de romp prutsen, alsof hij thuis aan de afvoer van de gootsteen bezig is. Hij trekt een paar draadachtige voegen los, maakt een gebaar van hier hebben we de boosdoener! President Bush komt aan de telefoon, grenzeloze opluchting bij de vluchtleiding. Allicht. Het zaakje is weer gezond. De klus is geklaard, zei de deskundige alsof hij het zelf had gedaan. Laten we hopen dat er niets meer losraakt. De strekking van het verhaal is, dat je nooit de ruimte moet ingaan zonder een zaagje en een tube lijm. Ook onder de belangrijkste omstandigheden valt het klussen soms niet te vermijden.

Waarom gaan we eigenlijk telkens weer de ruimte in? De diepste drijfveer, denk ik, is dat we ergens willen ontdekken dat we niet alleen zijn in het universum. Is er leven op Mars? Al zouden het maar een paar amoeben zijn. Zo'n ontdekking zou ons al verlossen uit die peilloze eenzaamheid als aardbewoners. Apen op Venus, nog onmetelijk veel beter. Er moet iets zijn dat ook leeft. Daarom laten we ons in enorme raketten en met ijzerzaagjes telkens weer lanceren.

Kleine verwaarlozingen kunnen grote gevolgen hebben. In een vorig stukje heb ik partijgetrokken voor minister Peijs van Verkeer die van plan was een verbod op los liggende voorwerpen in een auto af te kondigen. Daarmee heeft ze de hele natie aan het lachen gemaakt. Je kunt haar plan rangschikken onder het hoofd moederlijk overperfectionisme en dat zou het kunnen zijn. Maar moederlijke bezorgdheid – of bezorgdheid in het algemeen – ontstaat uit de verbeeldingskracht. Wie tachtig kilometer per uur rijdt, en dan door een aanrijding van de ene seconde op de andere vrijwel tot stilstand wordt gebracht, loopt de kans dat hij/zij door de paraplu op de hoedenplank met bijna dezelfde snelheid in de nek wordt getroffen. Dat kunnen de meeste mensen zich al niet voorstellen, en de gevolgen nog minder. Vandaar dat ze heeft overwogen – veronderstel ik – dit verbod in te stellen.

Dat op zichzelf zou ik nobel vinden. Maar nu wekt ze de indruk dat ze zich distantieert. In de Volkskrant van 4 augustus heeft Marc Peeperkorn een reconstructie van de `hoedenplank-affaire' gemaakt. Het begint bij het plan om het vervoer voor gehandicapten veiliger te maken. Zuurstofflessen, rollators, zware voorwerpen, mogen bij een noodstop in auto's niet tot dodelijke projectielen worden. Dan komt er een ambtenaar die op eigen houtje het verbod tot alle auto's uitbreidt. Nog niets aan de hand, tot een lezer van De Telegraaf er meer van wil weten, waardoor het vraagstuk op de voorpagina komt. Elsevier bemoeit zich ermee. `Kamerleden vergeten spontaan hun vakantie en houden zich bereikbaar om de minister om de oren te slaan met dit staaltje van regelzucht en symboolwetgeving.' De hype zwelt aan en dondert voort, tot de minister haar voorstel intrekt. `Haar imago is geschaad,' erkent het ministerie. Alsjeblieft!

In mijn hoedenplankstukje heb ik een fout gemaakt. Ik wilde weten hoe groot de snelheid van de paraplu zou zijn, en omdat ik al heel eenvoudige sommetjes niet tot een goed einde breng, had ik het mijn rekenkundige gevraagd. Die had blijkbaar een off day. Daardoor is er een gruwelijke fout in de slijpsteen gekomen. Excuus, mijn schuld. Het is niet zo dat een kogeltje van achttien gram bij een noodstop een grotere snelheid krijgt dan bijvoorbeeld een anderhalveliterfles bronwater. Wat ik wilde zeggen is, dat het denkbeeld van de minister niet zo zot is als het misschien lijkt. De vergissing is overigens verklaarbaar. Wat is zwaarder, een pond veren of een pond lood? Dat is een oude vraag waarmee grote mensen de kinderen in de war proberen te brengen. Stel je voor dat beide ponden op de hoedenplank liggen. Het antwoord is dan, dat je beter door een pond veren dan door een pond lood kunt worden getroffen.

    • S. Montag