Onze verschrikkelijke vakantie 4

Anna en Erik gaan op vakantie naar Kroatië. Maar het geplande verblijf in het paradijs eindigt in de hel

Achteraf vroeg hij zich af waarom hij niet rechtsaf was geslagen.

Toen het donker werd, besloten ze terug te gaan naar hun hotel in Dubrovnik. Want hoewel dit dagje-uit naar het achterland háár idee was geweest, voelde zij zich duidelijk niet op haar gemak in het Bosnische Mostar, waar de gebouwen zo duidelijk de sporen van oorlog droegen.

De duisternis viel snel en straatlantaarns ontbraken. Het duurde dan ook niet lang of ze waren verdwaald. Ze vonden zichzelf terug op een T-splitsing in een klein dorp. ,,Links'', zei zij. ,,Rechts'', zei hij. Natuurlijk gingen ze linksaf.

Ze reden en reden. Er leek warempel geen eind aan de reis te komen. De jerrycan met extra benzine die hij in Nederland had gekocht en waarna zij smalend had gevraagd of ze ,,op survival gingen'', ging in de tank. En nu hield ze haar mond wel.

Om een uur of elf reden ze op een stadje aan, Gospic. In het donkerblauw van de nacht rezen buitenwijken met afgebrokkelde muren op – in de Kroatische onafhankelijkheidsoorlog was fel om het stadje gestreden. Hoewel het leven in Gospic zelf al weer enkele jaren op gang was gekomen, was de hoofdstraat verlaten.

Na een kwartier passeerden ze een café; althans, er stond een deur open en er klonken luide stemmen. Ze liepen naar binnen. De sigarettenrook was om te snijden. Plots vielen de luide stemmen stil. Vijf mannen met snorren keken hen aan. Een van hen lachte zijn rotte gebit bloot.

,,Gutenabend'', zeiden Anna en Erik. Uit de kelen van de vijf mannen ontsnapte een gegrom. ,,We zoeken een hotel'', zei zij. De mannen barstten in lachen uit. ,,Ach, so, ein Hotel'', herhaalde de ene. ,,Loop maar mee'', gebaarde de ander. ,,Hotel'', zei deze man en wees op een gebouw aan de overkant van de straat. Uit de kozijnen staken brandnetels, in een van de kamers groeide een boom. ,,Bombardiert.''

De man duwde hen het café weer binnen en schonk twee glazen slivovic, pruimenjenever, in. ,,Trinken'', commandeerde hij. Hij schonk nog een keer in. ,,Waar komen jullie vandaan'', vroeg de man. ,,Den Haag'', antwoordde Erik.

Wat er toen met hem gebeurde, moest hij later van haar horen. Het werd stil in het café, zo stil dat je het tikken van de klok kon horen. Vervolgens stapte de man met het rotte gebit op hem af, diens adem sloeg hem in het gezicht, en toen haalde de man uit. Eriks hoofd tolde, zijn lichaam raakte de grond.

En het laatste wat hij hoorde, was haar gil die de stilte aan stukken scheurde.

wordt vervolgd