Miskend meester op de sopraansaxofoon

Tenorsaxofonist Lucky Thompson voelde zich zijn hele leven miskend. Hoewel hij werd geroemd om zijn briljante tenorspel dat zowel vindingrijk als origineel was en iedereen zijn vroege pensioen betreurde, was hij bitter en paranoïde. Thompson overleed vorige week op 81-jarige leeftijd in Seattle.

De als Eli Thompson geboren musicus gold niet alleen als grote tenor, maar hij was ook één van de eerste moderne sopraansaxofonisten in navolging van John Coltrane. Geïnspireerd door blazers als Coleman Hawkins en Don Byas zocht hij altijd naar nieuwe vormen in het post-bebop idioom.

Lucky Thompson groeide op in Detroit en vestigde zich in 1943 in New York waar hij ging spelen met mensen als Lionel Hampton, Billy Eckstine en Count Basie. Toen hij het Basie-orkest verliet in 1945 werd hij aan de westkust ingehuurd door Dizzy Gillespie als vaste vervanger voor de onvoorspelbare Charlie Parker. Later toerde hij met Stan Kenton en werkte hij met Oscar Pettiford en Milt Jackson. In de jaren vijftig en zestig maakte hij zelf diverse albums voor onder meer Prestige en was hij in 1954 te horen op Miles Davis' beroemde album Walkin'.

Helaas werd Thompsons spel altijd overschaduwd door meer spectaculaire saxofonisten. Hij zei eens dat hij ,,uiteindelijk nog maar een beetje had laten zien van waartoe hij in staat was''. Collega's vonden hem altijd een raadselachtige man, die bot en scherp was en daardoor ongrijpbaar. Zijn trotsheid belette hem hulp te accepteren, zodat hij begin jaren negentig dakloos door Seattle zwierf. Later werd hij herkend en kreeg onderkomen in een verzorgingshuis.

Voor Thompson zich eind jaren zeventig terugtrok, gaf hij nog even les aan het Dartmouth College in New Hampshire. De reden om uit de muziek te stappen was zijn ergernis over de muziekindustrie. Vooral in het begin is hij vaak gediscrimineerd op grond van zijn huidskleur.

    • Amanda Kuyper