Ik ben dankbaar dat ik hier mag wonen

`Hier in Mariahout staat de Lourdesgrot, naast de katholieke kerk van het dorp. Ik ga er geregeld bidden, ook gisteravond nog. Toen ik daar stond, tikte er iemand op mijn schouder. Hij vroeg me, in het Duits en in het Engels, of ik een probleem had. `Nee', zei ik, maar hij vroeg dóór. Waarom was ik dan naar de grot gekomen? Hoe kan het dat deze man aan mijn rug kon zien dat ik geen goede plaats heb om te slapen? Hij bood me een slaapplaats aan, en een plek om te douchen. Ik ben er niet op ingegaan.

Ik woon nu een tijdje in een oude donkere stal, die heel vroeger werd gebruikt voor varkens. Nu staat er veel rommel. Ik ben niet alleen; ik heb gezelschap van allerlei dieren. Bij het hoofdeinde van mijn bed zat vanochtend een hele familie spinnetjes. Er zitten ook muizen en ratten. Als het regent, lekt het, want het dak zit vol gaten. Dan moet ik mijn spulletjes verplaatsen, en het maakt ook veel lawaai. Veel heb ik niet hier: een bed, een eigengemaakte tafel, wat kleren, een Poolse sjaal, een kruisbeeldje en bidprentjes van de pas gestorven paus. Ik heb geen douche, geen stromend water, geen verwarming en geen gas. De tuin gebruik ik als toilet. Maar ik klaag niet. Ik kan niet klagen, ik ben dankbaar dat ik hier mag wonen.

Ik ben op 30 oktober vanuit Duitsland – ik woonde daar met mijn vrouw – naar Nederland gekomen, via een advertentie van een uitzendbureau in een Pools-Duitse krant. Ze zochten een monteur/lasser. Maar toen ik hier aankwam, was er de eerste twee weken geen werk. Vervolgens behandelde het uitzendbureau me niet fair: ik was aangenomen voor een technische functie, maar ik moest van alles doen. Een paar dagen maakte ik salades, drie dagen moest ik merken inschieten in de oren van varkens, de volgende week tafels politoeren bij een meubelfabriek. Hier, kijk eens naar mijn loonstrook voor november/december: ik ben in die periode twaalf keer van baan veranderd, waardoor ik óók vaak in een andere woning terechtkwam. Het waren heel slechte huizen, met oude meubels. Eén dag voor Kerstmis ben ik naar het kantoor van het uitzendbureau gegaan. Ik heb gezegd dat ik dat ik mezelf zou verdrinken, zodat heel Nederland erachter zou komen hoe zij met mensen omgaan.

Na Kerstmis verbeterde de situatie niet. Ik ben gebleven omdat ik geen keuze had, zoals 90 procent van de Poolse arbeiders in Nederland. De meesten hebben geld moeten lenen om hier te komen. Ik heb geleend van twee kerken in Duitsland: 119 euro voor een treinkaartje, en nog wat voor eten en drinken onderweg. Het uitzendbureau is hard: het zette enkele `min-posten' op mijn loonstrookje. Dat zijn boetes. Eentje van vijftig euro, omdat ik de dienstauto nam om met Pasen – naar Pools gebruik – mijn eten en dat van collega's voor een zegening naar de kerk te brengen. Ik betaalde zelf de brandstof!

Enkele Poolse collega's kregen óók boetes van het uitzendbureau, omdat zij de thermostaat in hun woningen zouden hebben bijgesteld. Maar in het huis waar wij woonden, zaten nergens thermostaten waar je bijkon! Nee, de behandeling is niet best. Er waren Poolse echtparen, die samen in Nederland waren om te werken. De man moest altijd nachtdiensten draaien, de vrouw moest altijd overdag aan de slag. Er waren werknemers die het allemaal niet pikten, ze namen ontslag. Het verloop is hoog bij dit uitzendbureau.

De 26ste april zal ik nooit vergeten. Ik had met mijn auto Poolse collega's afgezet in Veghel, toen ik op weg naar mijn eigen werk ineens mijn rechterarm en rechterbeen niet meer kon bewegen. Ik slaagde erin met twee uur vertraging mijn baas te bereiken. De eigenaar van het bedrijf heeft me toen naar het ziekenhuis gebracht. Ik hoefde niet in het ziekenhuis te blijven, dezelfde dag brachten ze me naar huis. Dat huis staat hier op het erf, het uitzendbureau huurde het van een boer.

Ik moet van de dokter oxy-contin (morfine, red.) slikken. Ik heb heel veel hoofdpijn, dan slik ik ook Diclofenac. Ik denk dat ik kanker heb in mijn hoofd. Op 9 augustus moet ik terug voor verder onderzoek. Daar moet ik medicijnen voor innemen waar je tijdelijk bewusteloos van kan raken. Er moet dan eigenlijk iemand bij me blijven, zegt de dokter, maar ik heb niemand. Dat vind ik wel eng. Ik kan ook nog niet behoorlijk lopen. Ik eet brood, zelfgemaakte koude soep en zuurkool uit een pot, afkomstig uit Polen.

Werken ging niet meer door de ziekte. Toen mijn contract op 10 mei afliep, had ik een groot probleem. Het uitzendbureau wilde niet met mij praten, ook niet via de telefoon. Het trok mijn woongeld af van het ziekengeld dat ik tussen 26 april en 10 mei kreeg. Ik heb toen geld geleend, en samen met wat spaargeld heb ik voor 400 euro een auto gekocht. De auto van het bedrijf kon ik niet meer gebruiken, en ik moest steeds naar het ziekenhuis. Ik heb in mei en juni nog in het huis gewoond. Daar moest ik voor betalen aan het uitzendbureau: ik kreeg nog geld van ze, daar hielden ze de huur van in. Ten slotte moest ik het huis uit en belandde ik, dankzij de boer, in deze stal.

Verder stak vrijwel niemand een hand naar me uit. Ook niet de Poolse collega's die hier werken – da's pijnlijk, en best moeilijk om te zeggen. Ik deelde altijd van alles uit in de fabriek en op het kantoor: zelfgekweekte groenten, zelfgerookt spek, chocola. Toch heb ik een kleine ziekte-uitkering gekregen. De Poolse ambassade en kennissen wezen me de weg naar het UWV. Veel is het niet, een Nederlander noch een Pool zou één week voor dat bedrag willen werken. Intussen heb ik geld gestuurd naar mijn vrouw in Duitsland. Zij had al twee maanden geen huur betaald. En ik moest nog geld terugbetalen aan de eigenaar van de schuur. Ik had van hem geld geleend om eten te kopen.

Zes jaar geleden ben ik van Polen naar Duitsland verhuisd. Ik ben een slachtoffer van de grote overstromingen in Polen, in 1997. Al mijn bezittingen zijn weggespoeld. Ik had een boerenbedrijf met 264 hectare grond. Althans, tot de overstroming. Ik verbouwde maïs. Ik was niet verzekerd tegen de schade, zoals 99 procent van de Polen dat niet was. Maar ik kwam pas echt in de problemen toen ik ziek werd. Ik had een hypofyse-tumor en ik bleek niet meer verzekerd. Ik had jaren gewoon premie betaald, maar door de overstroming was ik meer dan 30 dagen achter met de betaling. Toen ik kanker kreeg, moest ik zelf de behandeling betalen. Dat kon ik niet.

Ik zag geen uitkomst meer. Ik ging naar Duitsland om afscheid van mijn kinderen te nemen. Maar mijn dochter heeft me meteen mee naar een arts gesleept. Die heeft mij behandeld, zonder eerst te vragen of ik wel verzekerd was. Vorig jaar zei de dokter dat ik buiten levensgevaar was. Ik ben vrijgegeven. Toen ben ik werk gaan zoeken, om te leven, en om de schulden van mijn familie te kunnen afbetalen. Ik ben naar Nederland gekomen omdat ik in Duitsland geen werk kon krijgen.

Ik heb van 1968 tot 1975 ook buiten Polen gewerkt. Als technicus ben ik overal geweest: Frankrijk, Duitsland, Afrika. Ik heb bijvoorbeeld in Mauretanië op een raffinaderij gewerkt. Ik heb ook een tijd voor een grote Oostenrijkse technische firma gewerkt. In 1975 ben ik teruggekomen en ben ik gaan werken op mijn eigen bedrijf. Ik deed daar alles zelf: ik was chauffeur, technicus en knecht. Mijn technische studie heb ik aangevuld met een landbouwstudie. Ik was ook oprichter van de vereniging van maïs- en graanproducenten in Polen. Ik was vice-voorzitter, en professor Dubas was voorzitter.

Ik mis mijn dochter heel erg. Ik zorgde altijd voor haar, ging mee naar het ziekenhuis toen ze zwanger was van al haar drie kinderen. We hebben een hechte relatie. Ik zorgde ook vaak voor de kinderen, toen ik in Duitsland woonde. Ik heb nu de leeftijd dat de meeste mensen een normaal leven leiden. Dat ze gaan wandelen met hun kleinkinderen. Maar ik zit hier alleen, en heb nauwelijks contact met ze. De relatie met mijn vrouw is ook al afgekoeld. Toen ik ziek werd, kon ik geen geld sturen, en ze vroeg: hoe lang moet ik jou eigenlijk nog onderhouden? Dat is niet het soort gesprek dat man en vrouw zouden moeten hebben.

Waarom ik nu niet terug ga? Ik sta hier onder behandeling. In augustus en september moet ik naar het ziekenhuis voor onderzoek. Bovendien ben ik in Duitsland niet verzekerd. Daarna wil ik weer werken. Ik kan in september bij een bedrijf gaan werken in de buurt van Amsterdam. En die vragen geen geld voor de woning, of voor het eten. Ik zou willen dat alles geregeld werd. Als ik goede medicijnen krijg, ben ik volgens mij snel weer beter.'