Het metafysische verlangen van Jorge Luis Borges

In 12 afleveringen schrijft Willem Jan Otten over de schrijvers en denkers die hem inspireren. In deel 2 van zijn serie Jorge Luis Borges.

Er bestaat zoiets als een 'gelukkig boek'. Althans, dat beweert Jorge Luis Borges (1899-1986). Het is, zegt hij, een grote zeldzaamheid. Hij noemt Tom Sawyer van Mark Twain.

Verwachten we van een boek dat het gelukkig is? Een gelukkige schrijver lijkt een beklagenswaardige figuur, wiens werk niet anders dan lichtgewicht kan zijn.

In een laat gedicht neemt Borges zichzelf de maat: 'Ik heb de vreeslijkste zonde begaan: Ik ben niet gelukkig geweest.' Toch is Borges sinds ik hem, meer dan dertig jaar geleden, ben gaan lezen voor mij de schrijver van het geluk. Hij was de eerste bedrijver van grote-mensen-literatuur die me iets teruggaf van wat ik als kind moeiteloos en vrijwel zonder het te beseffen bij, zeg, Tonke Dragt, Selma Lagerlöff of Daan van der Vat gevonden had - een wereld die evident een fictie was, maar waar ik wel in op kon gaan.

Ik weet niet waarom ik, rond mijn veertiende, het vermogen heb verloren om te geloven wat ik las. Wat er ook ten gunste van hormonen gezegd wordt, nooit mogen we vergeten dat ze ons ook doen grijpen naar 'echt', naar boeken waarin gebeurt wat we heus hadden kunnen meemaken. Naar volwassenheid, die perfide levensfase van het meegaan in wat je al kent.

Toen ik rond mijn twintigste van Borges zijn Wereldschandkroniek ('37) onder ogen kreeg, was het alsof er iets hersteld werd. Om te beginnen waren er de titels van de afzonderlijke verhalen: De onbaatzuchtige moordenaar Bill Harrigan, of De stuitende verlosser Lazarus Morell. Het kan zijn dat de eerste zin van het laatstgenoemde verhaal me de speciale kriebels gaf die ik bij het opslaan van Borges ben blijven voelen: 'Vader Bartolomé de las Casas had in 1517 diep medelijden met de Indianen die bezweken aan het helse werk in de Antilliaanse goudmijnen, en hij stelde keizer Karel V voor negers te importeren om te bezwijken aan het helse werk in de Antilliaanse goudmijnen.' Het is geen kinderboekenzin, het is zelfs een echt modernistische zin, galgenhumorachtig, - maar hij belooft ook iets fabelachtigs.

Catalogus

De Wereldschandkroniek is een soort catalogus van romantische criminelen. Het verhaal dat me definitief aan Borges heeft gekluisterd, heet De onwaarschijnlijke oplichter Tom Castro. Daarin doet iemand zich voor als de verloren gewaande zoon van Lady Tychborne. Hij lijkt in geen enkel opzicht op de zoon - en juist daarom trapt de moeder ('die weigerde in zijn dood te geloven') er in. Om als lezer in het verhaal te kunnen meegaan, moet je aannemen dat zij beheerst wordt door een onbedaarlijke macht: 'haar wil om hem te herkennen'.

Wat Borges van meet af aan voor mij zo onweerstaanbaar maakte, was de dead pan ernst waarmee hij zijn onhoudbare waarheden debiteert. De Lady staat model voor een personage dat voortdurend, in talloze gedaanten, in zijn 'ficciones' is blijven figureren: dat van een mens beheerst door één enkel denkbeeld. Zo is er de man die een kaart van Argentinië wil maken, en die de schaal voortdurend groter maakt, opdat er meer Argentinië gevangen worde, net zo lang tot zijn kaart exact even groot is als Argentinië zelf. Of er is, later, het aangrijpende verhaal van Emma Zunz, die de veroorzaker van haar vaders dood, haar baas, wil doden; om het te doen lijken alsof zij door hem verkracht is, moet zij zich van tevoren door een ander laten verkrachten. En als zij de moord heeft gepleegd, weet zij niet meer wat zij wreekt, de bezoedeling of het onrecht haar vader aangedaan. Of er is de eind 19de-eeuwse schrijver wiens 'bewonderenswaardige ambitie het was enkele bladzijden te produceren die - woord voor woord en regel voor regel - zouden samenvallen met die van Miguel de Cervantes.'

Op het eerste gezicht kan het spielerei lijken, dit gegoochel met ideeën, opgeschreven in gebeitelde zinnen - totdat het je, met name na de bundel De Aleph (1949) daagt dat Borges heeft gearbeid aan een encyclopedie van menselijke denkmogelijkheden, van metafysische verlangens. Wat betekent het, bijvoorbeeld, dat we 'onsterfelijkheid' kunnen, en willen, denken? Borges is ongetwijfeld de meest wijsgerige der 20ste-eeuwse verhalenschrijvers - maar zijn methode is dichterlijk, hij wijst de abstractie af, en werkt door beelden, mythen en fabels. Een idee is voor Borges eigenlijk geen idee, zo lang het niet door de bedding van een verhaal stroomt.

Zo wordt in De onsterfelijke een Romeinse centurion geraakt door het denkbeeld dat er ergens een rivier zou stromen waarvan het water de drinker onsterfelijk maakt. Hij gaat op weg. 'Ik weet niet of ik ooit heb geloofd in de Stad der Onsterfelijken: ik denk dat de taak ernaar te zoeken toen voldoende voor mij was.' Als hij uit de rivier gedronken heeft, dan ontwikkelt het verhaal zich tot de ademstokkende beschrijving van een depressie.

Welbeschouwd dramatiseert Borges met zijn verhaal de leer van de eeuwige wederkeer van Nietzsche, een universum waarin 'geen intellectuele of morele verdiensten' meer bestaan, want een Onsterfelijke is 'om te beginnen onkwetsbaar voor mededogen'. Het is allemaal even bondig als raadselachtig. Ik geloof dat ik, toen ik het las, 25 jaar geleden, voor het eerst ging beseffen dat ik de dood nodig heb om te begrijpen dat ik leef. Ik weet niet of ik dit vervolgens werkelijk ben gaan begrijpen; ik denk dat dat alleen op papier kan, al vertellende. 'De dood is nog ongeloofwaardiger dan het leven', zegt Borges er van. En intussen twijfelt hij nooit, ook in dit verhaal niet, aan de donquichoteske grandeur van het verlangen naar eeuwig leven.

Controverse

Hier zijn we aangekomen bij een controverse. Het is gebruikelijk geworden om in Borges een aartsvader van het relativisme te zien. Hij zou ons aanmanen om niet te geloven in ideeën die levens beheersen. We leven immers in een wereld zonder bedoeling. En het is waar - er is in deze verhalen, essays en gedichten geen God waar Borges zich toe bekent. Zelfs wanneer een gedicht 'Gebed' heet, of, inderdaad, de Kruisiging tot onderwerp neemt, is het verre van hem om zich tot een Persoon te richten die hem zou kennen.

Maar betekent dit dat hij het zinloos vindt om een zin te onderkennen? Hangt hij het ontgoochelde 'wees blij dat het leven geen zin heeft' aan?

Het tergende van een verhaal als De onsterfelijke is juist de grote sympathie die hij heeft voor de man die op zoek gaat naar dat wat hij eigenlijk niet kan geloven. Op eenzelfde manier heeft hij een onmiskenbaar ontzag voor zijn alter ego die in De Aleph, tijdens een tamelijk banale liefdescrisis, in een buitenwijk van Buenos Aires, tegen beter weten in, de kelder ingaat waar hij het onmogelijke, ondenkbare, onvoorstelbare, rijksdaalderkleine voorwerp zal kunnen vinden waarin, of waarop, alles te zien is, in één oogopslag, wat het geval is, geweest is en zal zijn. 'Elk ding was oneindig veel dingen, want ik zag het duidelijk vanuit alle punten van het heelal.' Wat hij vervolgens ziet, wordt gevangen in een van de meeslependste beeldstapelingen die er ooit geschreven zijn, misschien wel de mooiste pagina die ik ken, proza, essay en poëzie inene.

'Ik voelde oneindige verering', zegt de verteller, 'oneindige deernis.'

De verteller zegt ten slotte dat hij, na deze volstrekt oncommuniceerbare ervaring, weigert om ooit nog over de Aleph te praten. Toch is hij 'bang dat de indruk van herhaling me nooit zou verlaten. (...) Gelukkig begon de vergetelheid me na enkele slapeloze nachten weer te kwellen.'

Wanneer een schrijver tracht op te roepen hoe verschrikkelijk het moet zijn om, als God, alwetend te zijn (want daar komt het verhaal toch op neer) - wil hij dan dat ik afzie van het bestaan van zoiets als een Alwetende? Het lijkt me sterk. Er zijn patentere methoden om van de lezer een relativist, of een gelover in niets, te maken. Wat Borges ook doet - mystiek maakt hij niet verdacht.

In een rijk en meeslepend boek over de denkwereld van Borges, De literator als filosoof, noemt Robert Lemm hem 'een mysticus zonder God'. Borges heeft niet gekozen voor één idee, voor één religieus stelsel - maar hij kan zich een mens niet anders indenken dan als beheerst door een idee, een mythe, een godsbeeld. Hij voert zo'n idee niet op als drogreden - zelfs het fundamentele nihilisme dat hij de nationaal-socialistische hoofdpersoon van Deutsches Requiem ten einde toe laat doordenken, weerlegt hij niet. Het doet iets oneindig veel huiveringwekkenders: het laat zien hoe deze Otto Dietrich zur Linde met zijn anti-mystieke 'niets' zijn angst overwint... zijn angst voor niets... 'Mijn vlees mag bang zijn; ik niet', zijn zijn vreselijke laatste woorden.

Nachtmerrieachtig

Het is, lijkt Borges met zijn vaak nachtmerrie-achtige ficties te beweren, onmogelijk om zonder idee te leven. 'Hij voelde zich niet bij machte zich tot ongeloof te bekennen', zegt zijn biograaf Edward Williamson, wanneer het late gedicht 'Christus aan het Kruis' ter sprake komt. En in een essay zegt Borges over het metafysische idee dat hem het meest heeft beziggehouden, of beter: achtervolgd: 'Ontkennen of betwijfelen van de onsterfelijkheid is de grootste brutaliteit jegens de doden, de haast oneindige onbeleefdheid.'

Hij was toen hij op 86-jarige leeftijd stierf, in 1986, al meer dan dertig jaar blind. Ook zijn blindheid beschouwde hij als een idee, 'je moet het zien als een levenswijze: het is een van de levensstijlen van de mens.' Ik vind dat ongelooflijke woorden - ze zijn een ware 'ficcion', het is alsof hij zijn lot als een mantel om zich heen slaat. Ze maken van Borges een borgesiaans personage.

Hij wist dat het gelukkige boek bestond; toch zei hij van zichzelf dat hij de zonde had begaan van niet gelukkig te zijn geweest. Zijn oeuvre is niet gelukkig, maar maakt het je soms, want het doet iets onschatbaars: in een geestdodende tijd herstelt en eerbiedigt het je metafysische verlangen, zoals je dat in je kindertijd, zonder het te beseffen, koesterde. Sindsdien ben je terechtgekomen in een wereld waar, zoals hij ergens zegt, de draad is zoekgeraakt en het labyrint verdwenen. 'Nu weten wij zelfs niet of ons een labyrint omringt, een geheime kosmos, dan wel een toevallige chaos. Onze schone plicht is ons in te beelden dat er een labyrint is en een draad'.

Van Jorge Luis Borges zijn Werken in vier delen (Bezige Bij) verkrijgbaar, in vertalingen van Barber van der Pol en Robert Lemm.

Vorige maand schreef Willem Jan Otten over Blaise Pascal.

    • Willem Jan Otten