Doop Paleis op de Dam om in Burgerpaleis

Voor een optimaal gebruik van het Paleis op de Dam in Amsterdam zou het goed zijn indien het exclusieve gebruik door het koninklijk huis wordt opgegeven, meent Bram Kempers.

In het Koninklijk Paleis Amsterdam, zoals het indrukwekkende stadhuis uit het midden van de Gouden Eeuw meestal wordt genoemd, is een interessante zomertentoonstelling te zien. Zij belicht zowel het 350-jarig bestaan van het gebouw als het 25-jarig regeringsjubileum van koningin Beatrix. Deze tweeledige opzet met als titel `Stadhuis van Oranje' zegt veel over de gelaagde geschiedenis en de dubbele identiteit van Nederland: republiek én koninkrijk.

Na de zomer gaat het gebouw twee tot drie jaar dicht ten behoeve van een ingrijpende restauratie waarvoor het rijk 69 miljoen euro beschikbaar heeft gesteld. Dit bedrag is vooral bestemd voor het weghalen van asbest en het renoveren van de keuken, de gastenverblijven en de vertrekken van het personeel.

Dit paleis dat door Constantijn Huygens werd omschreven als `'s werelds achtste wonder', tekent de culturele betekenis van de monarchie, de relaties tussen hoofdstad en nationale staat en de vaak heftig bediscussieerde grens tussen privé en publiek in het leven van de Oranjes. Sinds de verkoop van het stadhuis door de stad Amsterdam aan het rijk in 1936 heeft de veelvuldig en vaak heftig gevoerde discussie over een stedelijk gebruik van het gebouw zijn relevantie verloren. Achteraf mogen we blij zijn met de zorg van de rijksoverheid, want de gemeente Amsterdam had onvoldoende geld over voor het gebouw en had nauwelijks kijk op de eisen die het historische monument stelt. Dat het gebouw nog meer dan voorheen een landelijke functie heeft gekregen, is alleen maar toe te juichen.

Het valt te prijzen dat koningin Beatrix in Amsterdam culturele evenementen bijwoont en van de gelegenheid gebruikmaakt het Paleis op de Dam te gebruiken. Internationaal is deze presentie van het staatshoofd met zijn entourage ook van groot gewicht. Als locatie voor staatsbezoeken is het gebouw niet ideaal maar wel geschikt. Bezwaar is de afwezigheid van tuinen en hekken, waardoor de privacy en de veiligheid van de gasten moeilijk gewaarborgd kunnen worden. Sommige gasten gaven mede daarom de voorkeur aan logies elders in Amsterdam, zoals Jacques Chirac. Het gebouw is voor logies niet ideaal maar voor officiële bijeenkomsten bijkans perfect, zowel door de indeling en de uitstraling van de ruimtes als door zijn geschiedenis, plaats en symboliek.

Handhaving en uitbreiding van de functie als ontvangstgebouw voor het staatshoofd, zijn representanten en familieleden vormen daarom de ingrediënten van het eerste van zeven adviezen ten gunste van het achtste wereldwonder. Hierbij kan het restauratieprogramma, of zoals het heet de renovatie die vanaf de late zomer op de rol staat met een begroting van 69 miljoen euro, met instemming worden begroet. Of de logiesfunctie daarbij zoveel gewicht verdient en relatief zoveel beslag op schaarse middelen moet leggen, is daarbij de vraag. Het gebouw is immers nooit gebouwd om vast te bewonen of om er tijdelijk te logeren. Het gebouw kan niet volledig geschikt worden gemaakt als tophotel, zonder water eromheen en zonder een tuin, maar wel met trams, auto's en mensen. Bovendien ligt de charme van het gebouw veeleer in zijn geschiedenis en symboliek.

Terwijl er luxueuze logeerkamers komen, is het verkennende onderzoek naar de staat van conservering van de beroemde beelden en de evenzeer gerenommeerde schilderijen nog niet omgezet in een besluit tot restauratie. Het gaat zowel om de beelden en schilderijen in het gebouw als om de sculpturen aan de buitenzijde en het schoonmaken van de gevels. Iemand verzuchtte: voor de keuken is meer geld dan voor de kunst.

Tijdens de regeerperiode van Juliana en met inzet van kroonprinses Beatrix is in de jaren zeventig de toegankelijkheid van het gebouw verbeterd. Met succes zijn door de Oranjes zelf een extra openstelling en een expositieprogramma in gang gezet. Voor deze culturele activiteiten is de Stichting Koninklijk Paleis Amsterdam opgericht, die enkele jaren later een kleine Educatieve Dienst in het leven heeft geroepen. Hoewel de meeste Amsterdammers nog steeds denken dat hun voormalige stadhuis een gesloten bolwerk is waartoe alleen de regerend vorst met zijn entourage toegang heeft, berust dit beeld op een misverstand, een wijdverbreid misverstand overigens. Per jaar bezoeken ongeveer honderdduizend mensen het gebouw.

In de praktijk is het echter ,,een museum op wieltjes'', zoals iemand het omschreef. Alles wat nodig is voor de museale functie, zoals een balie voor kaartverkoop en een plek waar bezoekers catalogi, gidsen en video's kunnen kopen, kan terstond worden weggereden. Dat is goed voor het monument, waar spijkervaste nieuwe voorzieningen ongewenst zijn, en het is ten dele goed voor de representatieve functie van het gebouw, maar de balans is niet ideaal.

De museale functie van het gebouw blijft een ondergeschoven kindje. In de marge van het hoofs gebruik mag het monument museum zijn, maar niet officieel. Uitdrukkelijk heet het geen museum en gelden voor bezoekers ook geen kortingsarrangementen. Met de museumjaarkaart komt geen landgenoot kosteloos binnen. Dit moet veranderen.

Naast de jaarlijkse tentoonstellingen verdient het aanbeveling te komen tot een bescheiden vaste opstelling die geschiedenis en aard van het gebouw belicht. Decennia van interessante exposities en veelal uitstekende catalogi hebben zoveel kennis opgeleverd dat het mogelijk is om zonder veel extra werk een concept voor een museum te ontwikkelen. Het monument zoals het tot ons is gekomen staat voorop, maar dit kan extra inhoud en betekenis krijgen door het tonen van een weloverwogen selectie van schilderijen, prenten, foto's, filmpjes en voorwerpen. De monumentaliteit van de Burgerzaal en de Galerijen moet niet worden aangetast door borden, schotten, beeldschermen, koffieapparaten, tafeltjes en boekenstalletjes, maar een terughoudende museale presentatie is in ieders belang.

In de museale presentatie van het Paleis op de Dam verdient in ieder geval de stropdas van Claus een ereplaats. De aan het Communistisch Manifest ontleende woorden die hij sprak toen hij zich met een groots gebaar ontdeed van zijn das tijdens de uitreiking van de Prins Clausprijs, zijn vastgelegd en van dit indrukwekkende optreden bestaan beelden die de hele wereld overgingen.

Als Nederlands cultureel erfgoed moet deze das uit Afrika waar hij zich nu bevindt, gerecupereerd worden. In samenhang met beeld en geluid dient deze das als historisch voorwerp getoond te worden als onderdeel van een moderne museale presentatie. Het zou een bekroning zijn van de moderne multimediamonarchie.

Er is al een cyclus van symposia, er zijn concerten en dansvoorstellingen en er worden tal van prijzen uitgereikt, vaak vergezeld van grafisch en illustratief goed verzorgde publicaties. Deze activiteiten kunnen verder ontwikkeld worden met meer culturele ambitie en met het oog op bredere lagen van de bevolking. De paleissymposia zouden exemplarisch moeten zijn voor het publieke debat in Nederland en telkens moeten resulteren in gezaghebbende publicaties waardoor niet alleen de deelnemers in de Burgerzaal bereikt worden. Uitbreiding is voorts mogelijk tot andere media en takken van kunst, waaronder toneel, cabaret en stand up comedy.

Het monument kan volop emplooi bieden voor veel meer culturele activiteiten dan de terecht geprezen zomertentoonstellingen. Uitingen voor publiek in de Burgerzaal kunnen een uitstraling in veel bredere kring krijgen door gericht te werken met een cascade van andere media: catalogi, boeken, video's, dvd's en tv-programma's. Er is een aarzelend begin gemaakt met het vastleggen van bijvoorbeeld grote ontvangsten. Als je een monarchie hebt en je er als burger ook voor betaalt, wil je daar ook wat van mogen zien. Het is goed voor de grandeur van de vorst als de media, oude en nieuwe, goed worden gebruikt. Hindernissen zijn er volop, waaronder de angst in de lagere echelons van het hof en de ondersteunende rijksdiensten voor publiciteit, maar die hindernissen zijn er om te nemen.

Het staatshoofd zelf en zijn vertegenwoordigers uit de familiekring kunnen niet overal altijd bij zijn. Voor optimaal gebruik van het gebouw is het daarom goed wanneer het exclusieve gebruik door het koninklijk huis wordt opgegeven. Een meer liberaal regime kan voor alle partijen gunstig uitwerken. Dit betekent bijvoorbeeld dat wanneer schoolklassen op bezoek komen, de jeugd wel frisdrank kan krijgen en dat als er een wetenschappelijk symposium wordt gehouden waarbij de majesteit zelf niet aanwezig kan zijn, dat er na afloop, indien opportuun, aan de gasten wel een borrel mag worden aangeboden.

Niet alleen het staatshoofd maar ook de burgemeester van Amsterdam zou in staat moeten worden gesteld zijn gasten in het voormalige stadhuis te ontvangen in een ambiance die daarvoor bij uitstek geschikt is, symbolisch, historisch en praktisch. Hier wordt de grootsheid van Amsterdam breed uitgemeten in de monumentaliteit van het gebouw, de roem van de schilders en beeldhouwers die er gewerkt hebben, de renommée van de dichters en geleerden die het gebouw hebben verheerlijkt in poëzie en proza en in alle symboliek van de beelden en schilderijen. Onder voorbehoud valt te overwegen Nederlandse en buitenlandse bedrijven die een mooie bijdrage aan het gebouw willen leveren, bijvoorbeeld ten gunste van de restauratie van de schilderijen en de gevel of ten gunste van verdere musealisering, de gelegenheid te bieden te ontvangen.

De manieren waarop de samenwerking tussen de Oranjes en de staat der Nederlanden is geregeld, onderging allerlei veranderingen, soms formeel geregeld en beschreven, vaak ook in ongeschreven regels en stilzwijgende afspraken. In hoofdlijnen komt het er op neer dat de staat aan het staatshoofd het gebruik van het gebouw ter beschikking stelt voor de uitoefening van zijn publieke taken als staatshoofd. Daarmee heeft het gebouw een representatieve politieke functie op nationaal niveau.

Om te voorkomen dat het Amsterdamse `ontvangstpaleis' al te frequent ongebruikt zou blijven en ook om kritiek daarop voor te blijven, is sinds de jaren zeventig het koninklijk beleid verruimd om het gebouw ook voor anderen open te stellen. Gevolg is dat er nu een redelijk werkbare maar toch niet ideale organisatiestructuur bestaat met allerlei samenwerkende maar soms ook elkaar tegenwerkende partijen. Lang niet altijd zijn de verdeling van de zeggenschap, de beslissingsbevoegdheden en de verantwoordelijkheden eenduidig. Hofdignitarissen denken wel eens in naam van de majesteit te moeten spreken en besluiten te moeten nemen waarmee de majesteit het niet eens hoeft te zijn. De wensen van de intendant sporen niet altijd met de ambities van de Educatieve Dienst. De rol van het rijk mag wel groter worden. Technische dienst, algemene zaken, paleiscommissie, koningin, kroonprins en burgemeester hebben alle hun inbreng binnen een enigszins willekeurig gegroeid bestel van verhoudingen, een hoofs poldermodel dat aan revisie toe is. Juist nu er tijd is voor bezinning en het gebouw `op de schop gaat', is het raadzaam rustig na te denken over verbetering van de organisatie. Een college van wijze mensen zou, bijgestaan door een organisatieadviseur en een accountant, goede diensten kunnen bewijzen.

Enkele vragen mogen daarbij niet over het hoofd worden gezien: is het raadzaam dat de paleiscommissie vergadert op paleis Huis ten Bosch, zoals nu het geval is; verdient de Rijksgebouwendienst met in het bijzonder de Rijksbouwmeester een zwaardere rol; moet de burgemeester van Amsterdam voorzitter blijven van de paleiscommissie of dient hij, met het oog op zuiverheid van bestuurlijke verhoudingen, net als het staatshoofd lid te zijn van een raad van advies; is het model van de Raad van State geschikt voor zo'n hernieuwde raad van advies; wie stuurt de uitvoerende diensten aan; moeten kennis en expertise van kunstenaars en geleerden niet zwaarder wegen?

Vele namen heeft het gebouw reeds gehad en geen ervan is helemaal bevredigend. Ze geven een interessant beeld van zijn geschiedenis. Raadhuis en stadhuis heette het gebouw in de 17de en 18de eeuw. Huis der gemeente vond ingang, voordat het palais royal en palais imperial werd. Naast de Franse en vervolgens weer Nederlandse koninklijke varianten, zoals het gangbare Koninklijk Paleis op de Dam, zijn er tal van fantasienamen in omloop gebracht. Ze beogen recht te doen aan de veelzijdige geschiedenis van het gebouw. Paleis-raadhuis was een gewilde combinatie, zeker in de periode dat er heftige discussies woedden over het eigendom van het gebouw. Geert Mak introduceerde in navolging van anderen in zijn gelijknamige boek de aanduiding Stadspaleis. Voor de huidige tentoonstelling en het boek is weer een andere naam bedacht: Stadhuis van Oranje. Benamingen die recht doen aan de twee polen in de geschiedenis en functie van het gebouw zijn er in overvloed. En zo moet het ook.

Gezien de geschiedenis verdient het geen voorkeur te kiezen voor een enkelvoudige naam, hetzij stadhuis, hetzij paleis. In navolging van de alom met instemming gebruikte naam Burgerzaal, voor de centrale, monumentale ontvangsruimte moet het gebouw als geheel maar Burgerpaleis gaan heten. Dit doet tevens recht aan de rijke historie in Italië, waarop het gebouw in oorsprong ook is geïnspireerd. Het is een Nederlands Palazzo Pubblico van ongekende grandeur.

Bram Kempers is hoogleraar sociologie van kunst aan de Universiteit van Amsterdam. Hij heeft onlangs onderzoek gedaan naar de geschiedenis van het Paleis op de Dam.

    • Bram Kempers