DE JONGE ONDERKLASSE

In Nederland verlaten te veel jongeren zonder diploma de school. Hun vooruitzichten zijn slecht. In heel Europa verdwijnt het werk voor laaggeschoolden.

Maar wat moet je eraan doen?

De ervaring in Duitsland leert dat een stevige band met het bedrijfsleven heel belangrijk is. Maar in Nederland is de band tussen het Vmbo en het bedrijfsleven doorgeknipt.

Bericht uit de wereld van drop-outs en doeners.

Lena was 16 jaar toen ze vastliep. Ze is lang, heeft amandelvormige, blauwe ogen en donker krullend haar. Ze draagt een wit truitje, strakke zwarte broek, zwarte hakken, aan haar halsketting prijkt een glanzende parel. Lena is een typische jonge, moderne, Turkse Nederlandse. Geen hoofddoek voor de elegante Lena. En aan kinderen moet ze, inmiddels 24, voorlopig helemaal niet denken, nu ze sinds kort haar eigen zaak heeft. Lena is geboren in Istanbul, die buitengewone metropool aan de rand van Europa die volgens de Turkse schrijver Orhan Pamuk nog altijd de melancholie ademt van een voormalig wereldrijk. Met 11 jaar verliet ze met haar vader, moeder, broer en zusjes de miljoenenstad.

Het gezin kwam in het oosten van Nederland terecht, in Hengelo vlakbij Enchede, en Lena schreef zich in voor het voorbereidend beroepsonderwijs. Maar ze kon haar aandacht er niet bijhouden. Ze wilde liever iets praktisch doen en Lena hield de school voor gezien. Ze wilde kapster worden, maar voor de kappersopleiding moest je een stageplaats hebben en die vond ze niet. Ze had immers haar Vmbo- diploma niet. Lena's maandenlange zoektochten bleven vruchteloos en na een poos verbleekte haar mooie plan om met de knipschaar haardossen te modelleren. 'Ik geef het op', dacht ze, mismoedig geworden van alle afwijzingen. En met lege handen zat ze thuis. Een drop-out zonder diploma.

Het aantal jongeren in Nederland dat de school zonder diploma verlaat, is hoog. Verontrustend hoog, vinden wetenschappers, politici, sociaal werkers en werkgevers. Want de vooruitzichten voor een baan op de arbeidsmarkt zijn zonder diploma beroerd en het risico dat een voortijdige schoolverlater in het leger van jeugdwerklozen terechtkomt, is groot.

In Nederland gingen in 2003 zeker 60.000 jongeren zonder diploma van school af - dat is 15 procent van alle leerplichtige jongeren. In de 25 landen van de Europese Unie bedraagt het aantal drop-outs gemiddeld 16 procent. Ongeveer 42 procent van de voortijdige schoolverlaters is allochtoon, de meerderheid zijn autochtone Nederlandse kinderen. Veel kans op een baan hebben ze niet. 'Voor het eerst sinds het midden van de jaren '80 is er weer sprake van grote jeugdwerkloosheid', stelde het Sociaal en Cultureel Planbureau vast in een notitie voor de Tweede Kamer over de arbeidsmarkt. Nu al staan 112.000 jongeren aan de kant. Dat is 13,3 procent van de beroepsbevolking van 15 tot 25 jaar, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek over het tweede kwartaal van 2005.

Onderklasse

Niet alleen in Nederland, in heel Europa dreigt een onderklasse te ontstaan van te laag opgeleide jongeren, die nauwelijks kansen hebben op een behoorlijke baan. En dat terwijl het aantal banen voor laaggeschoolden in Europa de komende jaren ook nog sterk zal verminderen. De globalisering van de economie, de technische vooruitgang en de automatisering van het productieproces veranderen de arbeidsmarkt ingrijpend. De transformatie van een industriële naar een diensten- en informatie- economie stelt hogere eisen aan werknemers.

Tussen 1995 en 2000 ontstond 60 procent van de nieuwe banen in de high-tech sector. Dat zijn dus banen voor hoogopgeleide werknemers. De verplaatsing van productie uit

Europa naar Azië en de concurrentie met opkomende economische grootmachten zoals China en India zal het aantal banen voor laaggeschoolden nog verder doen afnemen.

'De situatie is dramatisch', constateerde Johan van Rens, directeur van het Europese Centrum voor de Ontwikkeling van Beroepsopleidingen, eind vorig jaar tijdens een conferentie in Maastricht over de Europese arbeidsmarkt. Europa heeft onvoldoende goed opgeleide werknemers om de banen van de toekomst te bezetten. Het ligt op alle fronten achter vergeleken met landen als Amerika, Canada of Japan. De Verenigde Staten hebben twee keer zoveel hooggeschoolden als Europa, half zoveel laag opgeleiden als Europa en de werkloosheid is er een fractie van die in de

Europese Unie.

Er is volgens Van Rens een 'deltaplan' nodig om kansarmen binnen het onderwijs te houden. Gebeurt er niets, dan voorziet ook de eurocommissaris voor Onderwijs, de Slowaak Ján Figel, 'uitsluiting voor grote groepen'. Met alle gevolgen vandien. De Franse inlichtingendienst heeft in Frankrijk 630 'explosieve' wijken in kaart gebracht, waar werkloze moslims gevoelig kunnen worden voor radicalisering. De helft van deze wijken zijn getto's, of hard op weg dat te worden. Niet voor niets heeft de nieuwe premier Dominique de Villepin bestrijding van de werkloosheid tot belangrijkste taak gemaakt in Frankrijk. Bijna een kwart van de Franse jongeren zit zonder werk.

In mei gingen in een achterstandswijk in Perpignan tientallen jonge migranten met elkaar op de vuist. In het Duitse Aken vonden vorig jaar bende-oorlogen plaats in een sociaal zwakke wijk. In Nederland verweet de Onderwijsinspectie in het jongste jaarverslag leraren in het voortgezet middelbaar beroepsonderwijs (Vmbo) te weinig te doen tegen agressie en geweld op school. Ze moeten beter hun best doen leerlingen van verschillende komaf bij elkaar te brengen, vindt de inspectie.

Nederland staat er met het beroepsonderwijs slechter voor dan een aantal andere Europese landen. 'Het aantal voortijdige schoolverlaters is in Nederland hoog vergeleken met onze buurlanden', constateerde de minister van Onderwijs vorig jaar met betrekking tot een 'Actieplan' om het aantal voortijdige schoolverlaters in de hele Europese Unie de komende jaren terug te dringen.

Liefst een kwart van alle Nederlandse jongeren tussen 20 en 24 jaar heeft geen 'startkwalificatie' voor de arbeidsmarkt. Dat betekent dat ze geen voltooide beroepsopleiding (niveau 2) hebben of een havo/vwo-diploma. En dat heb je nodig om kans te maken op een behoorlijke baan. Onder Turkse en Marokkaanse jongeren is dat percentage nog veel hoger, respectievelijk 55 en 65 procent.

'Het bedrijfsleven en het onderwijs zijn uit elkaar gegroeid', zegt Hans de Boer, voorzitter van de Taskforce Jeugdwerkloosheid. Deze werkgroep werd twee jaar geleden door de regering geïnstalleerd om te voorkomen dat er een hele generatie jongeren verloren gaat. Als oud-voorzitter van het mkb, de werkgeversorganisatie voor het midden- en kleinbedrijf, die het grootste deel van de banen genereert, heeft De Boer een groot netwerk. Hij loopt stad en land af om stageplaatsen, een baan of opleiding te zoeken voor werkloze jongeren.

'In Nederland is het taboe om te zeggen dat je wordt opgeleid voor een baan. Een opleiding wordt beschouwd als zelfontplooiing', zegt De Boer. Volgens hem kan Nederland hier nog iets van het Duitse systeem opsteken, waar het bedrijfsleven zich diepgaand met het beroepsonderwijs bemoeit. 'Als we willen voorkomen dat er door de economische stagnatie een verloren generatie ontstaat, dan zijn onconventionele antwoorden nodig', zegt De Boer.

Zelfvertrouwen

Die onconventionele antwoorden vinden we in Enschede, bij Robert Zandstra. Hij is de drijvende kracht achter atc, Arbeidstoeleiding & Coaching, dat zetelt in een oude villa in het centrum van de vroegere textielstad.

'Ik denk alleen nog in oplossingen', zegt Zandstra, een stevige man die blaakt van energie. Blauw-wit gestreept overhemd, opgerolde mouwen, sportieve broek. Hij is een man van de praktijk. Waar Zandstra komt, gebeurt iets. Uit het hele land komen beleidsmakers, ambtenaren en jongerenwerkers bij hem langs. Zandstra schijnt iets in zijn vingers te hebben waardoor hij vastgelopen jongeren weer weet te motiveren.

Vanmorgen staat een ploeg ambtenaren en jeugdzorgwerkers uit Zutphen bij hem op de stoep. 'Ik kom uit twee verschillende werelden', zegt Zandstra. Het onderwijs en het bedrijfsleven. 'De softe en harde wereld.' Achttien jaar werkte hij als docent in het speciaal onderwijs. Daarnaast is er vrijwel geen ondernemer in het Oosten die hij niet kent. Als lid van een internationale 'Rondetafel' van beslissers, een soort Rotary, en als organisator van Military Boekelo, een internationaal paardentoernooi, kent Zandstra bijna iedere ondernemer in het oosten van het land. Hij brengt probleemleerlingen in contact met scholen, gemeenten, bedrijven en arbeidsbureaus.

Enkele jaren geleden was Zandstra in het Braziliaanse Fortaleza, waar 80 procent van de inwoners onder de armoedegrens leeft. Hij nam daar een kijkje bij een jongerenproject. Een vriend van hem had er randgroepjongens uit de sloppenwijken opgeleid tot surfinstructeur, zodat ze in de toeristenindustrie konden werken. 'Ik ben er een dag geweest en één ding viel me meteen op: zíj waren de baas', zegt Zandstra. Die jongens straalden zelfvertrouwen uit. 'Zij waren de instructeurs en wij stonden te stuntelen in de branding.' Het waren jongeren die uit beroerde omstandigheden kwamen. Ze hadden niets, konden niets. Nu voelden ze zich zeker van zichzelf, omdat ze iets geleerd hadden en hun eigen boterham konden verdienen. Die zelfverzekerde jongens uit Fortaleza heeft Zandstra bij al zijn activiteiten steeds in het achterhoofd. 'Een fantastisch voorbeeld van hoe het zelfbeeld van jongeren kan groeien.'

Toen de wethouder in Enschede hem vroeg na te denken wat er gedaan kon worden om het aantal probleemjongeren in de stad te verminderen, ging Zandstra aan de slag. De beroepsbevolking in Enschede is vanouds laagopgeleid, waardoor de kwetsbare groep groot is. Zo had in 2003 minstens 60 procent van de ingeschreven jongeren in Enschede hun beroepsopleiding of havo/vwo niet afgemaakt. Zij liepen het grootste risico geen baan te vinden. Op het moment dat de economie in Nederland begon te haperen en de werkloosheid snel begon te stijgen, stond Enschede al op scherp.

Op de golfclub in Twente belegde Zandstra een symposium over de jeugdproblematiek met leraren, ambtenaren en ondernemers. 'Een andere omgeving is goed om de tongen los te maken', zegt hij lachend. Zo werd het project Arbeidstoeleiding & Coaching atc geboren. Een bedrijf met expertise in allerlei branches, waarin jongeren die dreigen vast te lopen, een plek op de arbeidsmarkt of een aanvullende opleiding krijgen aangeboden.

Kappersopleiding

Met de ambtenaren uit Zutphen rijden we langs een aantal van Zandstra's 'ondernemingen'. Hij heeft inmiddels acht praktijkbedrijfjes opgezet. Zo is er Hairstyling International dat een 2-jarige kappersopleiding aanbiedt, en eetcafé De Huifkar. En er is het productie- en assemblagebedrijf Richtersweg, waar jongeren vooral moeten leren op tijd te komen, langer en geconcentreerd te werken, doorzetten, verantwoordelijkheid nemen en communiceren met collega's. 'Ze moeten een werkritme ontwikkelen en basisvaardigheden, zodat ze uiteindelijk kunnen doorstromen naar regulier werk', legt Zandstra uit.

We stappen uit bij International Coupe, een naaiatelier. Binnen werken 15 jongens en meisjes. Ze knippen stof, zitten aan de naaimachine. De meeste jongeren hopen na hun opleiding bij atc op een baan in de textiel, sommigen willen een eigen kledingzaak beginnen.

Neem Danny, hij is 17, heeft kort, blond, krullend haar en een klein ringetje in zijn rechteroor. 'Ik werk aan een rokje voor mijn vriendin', zegt Danny, die geconcentreerd achter de machine zit. Na zijn Vmbo kwam hij bij het Regionaal Opleidingscentrum (roc) om voor automonteur te leren. De verkeerde keus, bleek al gauw. Sinds de fusie van de roc's Oost-Nederland en Twente telt de school 14.000 leerlingen. Te veel, zegt Danny, het is net een fabriek. 'Ik vond het niks.' Bij het roc moest hij een dag in de week naar school en vier dagen 'autonoom' werken. Dan hing hij thuis rond. Niemand die het in de gaten had. Hier, in het naaiatelier, werkt hij elke dag van 9 tot half 5. Dat heeft Danny liever.

In het begin was het even wennen met dat naaien. 'Maar na oefenen met twee slabbers ging het', grijnst hij. En er is alle aandacht. 'Begrijp ik iets niet, vraag ik het aan mijn begeleider.' Het is bij International Coupe ouderwets kleinschalig. Dat vindt hij prettig.

Danny droomt van een eigen modezaak. Aan het eind van het schooljaar, als hij een jaar bij Zandstra's 'bedrijf' is geweest, gaat hij terug naar het roc om aan de modeopleiding te beginnen. 'Niveau 2', zegt hij opgewekt. Dat moet nu lukken, hoopt hij. Danny is vol goede moed.

'Zelfvertrouwen en het bijbrengen van vaardigheden. Daar draait het bij ons om', zegt Zandstra. Hij hanteert bij atc het 'familiemodel': kleine eenheden en een vaste begeleider voor iedere leerling. Dat geeft vertrouwen.

Zandstra merkt dat ook bij het kappersproject, Hairstyling International. Zijn pupillen zijn onzeker en moeilijk in de omgang. 'Maar zodra ze in de kapperszaak staan, zijn het zúlke meiden', lacht Zandstra en hij steekt zijn duim omhoog. 'Dat werk geeft die meiden een enorme kick. Dan weten ze zich te presenteren en willen ze er iets moois van maken.'

Zo verging het ook Lena, de drop-out die door Zandstra werd opgevangen. Ze haalde haar Vmbo-diploma en maakte de 2-jarige opleiding bij Hairstyling af. Werken aan een startkwalificatie is belangrijker dan een baan, zegt Zandstra. 'Dat is duurzamer dan een tijdelijk baantje versieren waar iemand na een half jaar weer buiten de deur wordt gezet, omdat de economie tegenzit.'

Jachtwerf aan het Twentekanaal

We rijden naar De Helling, het volgende project. Een jachtwerf, aan het Twentekanaal in Enschede. 'Jongens en meiden die van aanpakken weten, vinden het spannend om hier boten te repareren', zegt Zandstra. Ook wordt restauratiewerk aan historische schepen verricht.

'De meeste jongeren die bij onze projecten terechtkomen, willen niet meer naar school', vertelt de atc-manager aan de ambtenaren en jongerenwerkers uit Zutphen, terwijl we over de werf tussen de kabels en oude schepen lopen. Ze komen van het Vmbo of het speciaal onderwijs en vinden geen aansluiting. Het lesprogramma in het voorbereidend beroepsonderwijs is ze te zwaar, te theoretisch.

Dat constateerde ook de Rekenkamer begin dit jaar in haar rapport over Zorgleerlingen. De onderwijshervorming uit 1999 blijkt voor problematische leerlingen averechts te werken. De samenvoeging van mavo, voorbereidend beroepsonderwijs en speciaal onderwijs in het Vmbo had ertoe moeten leiden dat zwakkere scholieren zich aan sterkere klasgenoten zouden optrekken en meer kans op werk zouden hebben. Maar in plaats daarvan raken zwakkere leerlingen eerder achterop en verliezen ze het contact met de opleiding. Ook blijken niet alle docenten op het Vmbo geschikt om de zorgleerlingen te ondersteunen of hun de nodige kennis bij te brengen, concludeert de Rekenkamer.

Zandstra vindt het jammer dat het Vmbo met zo'n imagoprobleem kampt. Hij pleit niet voor afschaffing. 'Het is goed dat er theorie in het leerprogramma is opgenomen. Maar koppel het aan de praktijk. Haal bedrijven de school in.'

Zelf is Zandstra voortdurend op pad om leer-werkbanen bij bedrijven te organiseren. In de bouw, bij metaalbedrijven, blikfabrieken, in de detailhandel. Hij heeft zelfs een stukadoor gevonden, die bereid is moeilijke jongeren 'therapeutisch' in dienst te nemen. Van alle probleemgevallen, schoolverlaters en jongeren die sociaal in de kreukels liggen, weet hij 70 procent weer op de rails te krijgen. Ze gaan terug naar school, krijgen een leer-werkplek of beginnen een opleiding, zegt Zandstra. Hij is regelmatig te vinden bij de jeugdzorg, scholen en bedrijfsopleidingen om te onderzoeken waarom leerlingen zijn vastgelopen. 'Dat plak ik aan elkaar', zegt hij laconiek.

Op naar het volgende project, een fabriek aan de Richtersweg waar allerlei productiewerk voor bedrijven wordt verricht. In een grote hal zijn tientallen jongeren aan het werk. Sommigen assembleren voor een metaalbedrijf, anderen verpakken stekkers en snoeren voor een postorderbedrijf, weer anderen poetsen plastic koptelefoons schoon die bestemd zijn voor de klm. De Zutphenaren kijken hun ogen uit. 'Wij zitten in Zutphen met de handen in het haar', zegt de een. 'Iedereen werkt langs elkaar heen - de scholen, de gemeente, de jeugdzorg.' In Enschede is alles gebundeld, valt hun op. 'Wij kennen in Zutphen veel probleemgevallen in het Vmbo', zegt een ander.

Spijkerjasje

Een van die Zutphense probleemgevallen is Michon. Ze was 17 jaar toen ze van het Vmbo af wilde. 'Ik zag het niet meer zitten', zegt ze, ietwat verlegen. Ze draagt een spijkerbroek en spijkerjasje en heeft haar krullende haar in een staart gebonden. 'Spanningen met m'n mentor.' In het laatste jaar van school gaf ze er de brui aan. Michon wilde met haar handen werken. Op een dag belde haar opa, die zich over haar ontfermd had, naar het Regionaal Opleidingscentrum (Zutphen, Deventer, Apeldoorn) waar een speciaal project is opgezet voor schoolverlaters. 'Ik wil graag iets doen om oude mensen te helpen', zegt Michon. Zij heeft net een half jaar meegelopen in een verzorgingstehuis, daar mocht ze bejaarden wassen. Meer zat er niet in. Nu oefent ze aan haar werkhouding, in een speciaal keukenproject. Ze moet leren samenwerken met anderen en op tijd beginnen. Daarna probeert het roc uitvallers zoals Michon aan een stage te helpen. Ze hoopt op een werkplek bij het verzorgingstehuis.

Binnenkort heeft ze er een 'sollicitatiegesprek'. Als Michon de plek krijgt, is ze gelukkig. Dan kan ze vier dagen in de week in het tehuis werken, en mag ze bij het roc één dag naar school. Maar krijgt Michon de leer-werkplek, waar ze zo vurig op hoopt? Een startkwalificatie heeft ze niet. Ook zij heeft haar Vmbo niet afgemaakt.

'Als het voortgezet middelbaar beroepsonderwijs goed was, sloot het naadloos aan op de praktijk', zegt Sylvia Koiter, de leerplichtambtenaar in Zutphen die zich over Michon ontfermt. 'Maar de opleiding is te theoretisch, de groepen zijn veel te groot. Leerlingen zoals Michon krijgen er gedragsproblemen, omdat ze in een te strak keurslijf zitten.'

Voorlopig is Michon gebaat met praktisch bezig zijn. Ze moet eerst vertrouwen krijgen in zichzelf, zekerder worden. Een leer-werkplek zou haar reuze helpen.

Jeugdwerkloosheid

Hans de Boer van de Taskforce Jeugdwerkloosheid is de afgelopen twee jaar met niets anders bezig. De snel stijgende werkloosheid onder jongeren, Nederlanders en migranten, baarde het kabinet zorgen. Steeds meer mensen tussen de 17 en 23 jaar raken hun baan kwijt. Vooral onder Marokkanen, Turken, Surinamers en Antillianen stijgt de werkloosheid 'alarmerend', schreef het Sociaal en Cultureel Planbureau drie jaar geleden. Had in 2002 nog ruim 7 procent van de Nederlandse jongeren geen baan, bij Marokkanen (17 procent), Turken (18 procent), Antillianen (27 procent) en Surinamers (30 procent) was dat veel hoger. Tijdens de economische bloei midden jaren '90 was de werkloosheid onder minderheden en andere kwetsbare groepen opvallend teruggedrongen. En dus werd ook het specifieke beleid voor de onderkant van de arbeidsmarkt de afgelopen jaren sterk verminderd. De gesubsidieerde arbeid werd teruggedrongen waar juist veel Surinamers en Antillianen baat bij hadden. Kortingen voor bedrijven om laagbetaalden en langdurig werklozen in dienst te nemen zijn afgeschaft.

In 2002 had Nederland in de Europese Unie nog de laagste jeugdwerkloosheid. 'Een jaar later groeide de werkloosheid onder jongeren het hardst', zegt Hans de Boer. Hij kreeg van Mark Rutte, destijds staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en diens collega van Onderwijs één opdracht mee: help de komende jaren 40.000 jongeren aan de slag, aan een stage, een werk- of een leerplek. Dat is de helft van de groep van 75.000 die de harde kern vormen van de jeugdwerklozen.

De Boer ging onmiddellijk aan de slag. Hij formeerde een Taskforce, een denk- en vooral doe-tank met bedreven specialisten uit de wereld van de arbeidsmarkt. De afgelopen anderhalf jaar reist hij stad en land af, organiseert actiebijeenkomsten, loterijen, concerten en banenmarkten in Friesland, Rotterdam, Eindhoven, Breda en Alphen aan de Rijn om jongeren, bedrijven en arbeidsbemiddelaars met elkaar in contact te brengen.

De Boer is een bevlogen spreker. En net als Zandstra in Enschede wil hij kansarme jongeren 'binnenboord houden' zoals hij dat noemt. 'Wat koste wat kost voorkomen moet worden', zegt De Boer, 'is dat er een verloren generatie van jongeren ontstaat, die over een paar jaar als de economie weer aantrekt nog niets kan'.

Eenvoudig is zijn goodwill-missie niet. Veel bedrijven houden de knip op de beurs nu de economie al jaren stagneert. De ene keer als ik De Boer spreek is hij goed geluimd, omdat hij net bij een aantal aannemers in Rotterdam tientallen jongeren 'heeft kunnen wegzetten' in een leer-werkplek voor een half jaar. Een andere keer is hij somber gestemd. Na afloop van een banenmarkt in Friesland bijvoorbeeld. 'Deprimerend. Veel jonge jongens en meisjes die iets zoeken, heel weinig bedrijven die iets aanbieden.'

Ruziemaken doet hij ook, als het nodig is. In juni bijvoorbeeld had De Boer maar liefst 1.200 decanen van Vmbo-scholen aangeschreven voor de open dag die hij bij bedrijven had georganiseerd. Hij had voor elkaar gekregen dat 2.500 ondernemingen en instellingen - van Tulip Inn tot v&d, het Stedelijk Museum en het Feyenoord-stadion - één dag hun deuren openden om leerlingen kennis te laten maken (Dag 'Kom In Het Leerbedrijf').

'Zeker 30.000 jongeren hadden de kans een dagje mee te lopen. Maar nog geen 10 procent van de decanen reageerde', zegt De Boer. Slechts 888 leerlingen werden door de Vmbo's aangemeld. Kon hij de bedrijven weer afzeggen. De Boer was des duivels. Als dat de inzet is van de decanen, moet je niet verbaasd zijn over het hoge aantal drop-outs in het voorbereidend beroepsonderwijs, zegt De Boer.

Het is een moeizaam gevecht, verzucht hij, 'een permanente oefening in geduld en doorzettingsvermogen'. Maar onvermoeibaar gaat hij verder. Op naar de Heineken Music Hall in Amsterdam Zuid-Oost, naast het Ajax-stadion. Voor het eerst wordt in De Bijlmer een banenmarkt georganiseerd.

'Werk aan je toekomst', laten affiches weten op de glazen deuren van de muziekhal. 'Geld? Toekomst? Of verder chillen?' Honderden jongeren stromen langzaam naar binnen. Petjes op, spijkerjacks, lange rokken. De reusachtige hal is gevuld met allerlei stands: 'Ga het maken in de bouw' meldt een wimpel boven een man die een muurtje aan het metselen is. 'Zoek je een stageplaats? Bel met 58 009 70'. 'Grafisch medewerker op mbo-niveau gevraagd', hangt op een van de briefjes aan een prikbord. 'Kom bij de politie', staat boven weer een andere stand.

'Ik hoop dat ik hier een baantje vind', zegt Cheva, een Surinaamse jongen. Petje op, blauwe houtje-touwtje-jas. Hij is met een groepje vrienden. Ze hebben bij elkaar op school gezeten. 'Veel mensen denken dat jongeren niet willen werken', zegt hij. Nou, dat klopt niet. Maar je moet geluk hebben. Tsja, dat heeft hij niet. Hij was bezig met een beroepsopleiding elektrotechniek. Helaas niet afgemaakt. Elk half jaar heeft hij een ander baantje, via het uitzendbureau. Nu zoekt hij stabiliteit. Hij is intussen wel 24 jaar.

'Als u wist hoeveel brieven ik heb geschreven. Maar ik word steeds afgewezen, geen ervaring.' Dat maken Cheva en zijn vrienden steeds mee. We zijn allemaal jonge vaders, zegt hij dan. 'Ik kan sommigen niet kwalijk nemen dat ze gaan stelen.' Eigenlijk moet hij weer gaan leren. Het liefst zou hij systeembeheerder worden. Maar de opleiding kost een paar duizend euro per jaar. Die heeft hij niet. Een uitkering wil hij ook niet vragen. Voorlopig heeft zijn vriendin nog werk, maar daar voelt hij zich niet lekker bij. Dan barst muziek los in de Music Hall. Rappers met zwarte petjes klimmen op het podium. 'Het is surviven, man', zegt hij en verdwijnt in de menigte.

Het Duitse voorbeeld

'We moeten de bakens verzetten', zegt Hans de Boer. We kunnen ons wel richten op 'werk, werk, werk', maar een vereiste is de kwalificatie. Willen jongeren een serieuze kans op een baan maken, dan is het essentieel dat de uitvallers alsnog een vak leren. Tweede-kans-beroepsonderwijs is noodzakelijk. Daar wil De Boer zich met de Taskforce op richten.

Ondertussen valt het nodige te leren van de aanpak in Duitsland. Het land kampt weliswaar al jaren met economische stagnatie, en de starre arbeidsmarkt staat in schril contrast met de flexibiliteit in Nederland, maar De Boer is ronduit jaloers op het Duitse duale (praktijk, theorie) beroepsonderwijs met zijn talrijke vakscholen. Onlangs was hij in Aken, bij enkele vakscholen van het Duitse midden- en kleinbedrijf. Hij was diep onder de indruk van de ambachtelijke vaardigheden die jongeren worden bijgebracht.

Fluggerätemechaniker, Brunnenbauer, Bestattungsfachkraft, Augenoptiker, Baustoffprüfer, Raufasentapetenkleber (vliegtuigbouwkundige, putdelver, grafdelver, opticien, bouwstofcontroleur, behanger) - het is maar een greep uit de lijst van 345 erkende beroepen, waarvoor in het bedrijfs- en beroepsonderwijs in Duitsland opleidingen bestaan. Wordt in Nederland het beroepsonderwijs door de staat georganiseerd, in Duitsland ligt het accent op het bedrijfsleven. De meeste vakkrachten worden door ondernemingen opgeleid.

'De overheid en bedrijven zijn samen verantwoordelijk voor de opleidingen op het gebied van alle technische beroepen', zegt Ralf Barkey, directeur van de Handwerkskammer (Kamer van Ambachten en Neringen) in Aken, waarin bedrijven georganiseerd zijn. Tweederde van de schoolverlaters, met diploma, gaat naar een van de vakscholen. En bij de Handwerkskammer kan een leerling na drie jaar opleiding de kwalificatie van 'gezel' of 'meester' krijgen. Drie van de vijf bedrijven in Duitsland zijn actief betrokken bij dat duale beroepsonderwijs. Leerlingen werken gemiddeld vier dagen per week in het bedrijf en volgen een dag theorie op een school voor beroepsonderwijs.

Voor schooluitvallers bestaat een speciale beroepsvoorbereidende opleiding van een jaar, met vrij, individueel gericht, onderwijs, waar overigens ook een toenemend aantal scholieren mét diploma wordt bijgeschoold, zegt Barkey fijntjes. 'Scholieren in Duitsland leren een gedicht van Goethe uit het hoofd te declameren, maar een foutloze brief schrijven is er niet meer bij.'

Migranten, vooral Turken en (ex-)Joegoslaven, vormen inmiddels 60 procent van de leerlingen in het beroepsonderwijs. Ze komen vaak op de beroepsvoorbereidende opleiding terecht om te worden bijgeschoold in taal en basisvaardigheden, alvorens ze met hun echte bedrijfsopleiding beginnen.

De 'drop-outs' worden allerlei basisvaardigheden bijgebracht, net zoals Robert Zandstra met zijn atc-projecten doet. Met één verschil: in Duitsland maakt de opvang voor schooluitvallers deel uit van een geïnstitutionaliseerd systeem voor het beroepsonderwijs. Het Duitse beroepsonderwijs is, in tegenstelling tot het Nederlandse, veel meer aan het bedrijfsleven gelieerd, en minder aan de staat, zegt Barkey. Bedrijven betalen dan ook een belangrijk deel van het beroepsonderwijs. Bij de cao-onderhandelingen komen werkgevers met de vakbeweging leercontracten overeen, waarin inhoud en vergoeding van de vakopleiding (Lehre) worden geregeld.

Zwaar werk

Berufs-, Bildungs- und Gewerbeförderungszentrum (bgf) staat op het bord bij een hoog, modern gebouw met een blauw, stalen dak aan de Tempelhofer Strasse in Aken. Schweisstechnik, lassen, wordt er onderwezen. 'We hebben alles in huis op het gebied van metaalbewerking en mechanica', zegt Rolf Willenbacher, groepsleider in het opleidingscentrum van de Handwerkskammer. Hij doet dit werk al twintig jaar.

In het gebouw zijn honderden jongeren in verschillende werkplaatsen aan de slag. In elke hoek wordt een ander vak onderwezen: bankwerken, computersturing, radio- en televisietechniek. Bij 'Heizung und Sanitär' staan zeven jongens te sleutelen. Ze werken bij een verwarmingsbedrijf en krijgen een week extra scholing.

Weinig vrouwen. Te zwaar, te technisch werk. De meeste jongeren die er vandaag zijn, werken in een bedrijf. 'Ze hebben een Lehrvertrag om een of twee keer in de week te worden bijgespijkerd.' Dat is een leercontract in hun arbeidsovereenkomst.

Het principe is: 70 procent werken in de praktijk en 30 procent theorie, zegt Willenbacher. In landen als Nederland en België is het omgekeerd, weet hij. Alle soorten leerlingen heeft de groepsleider onder zijn hoede - de meesten zijn tussen de 16 en 20 jaar, maar jongeren van 12 of 24 jaar die zijn vastgelopen op school of in een bedrijf komen ook voor. Duitsers, Russische Duitsers, Turkse Duitsers, slimme, zwakke, en probleemleerlingen. Momenteel heeft Willenbacher een groep van zo'n 75 zorgjongeren in huis.

In heel Aken zijn zo'n 400 tot 500 probleemjongeren, vertelt Mariele Storms, sociaal-pedagogisch werkster, die ook op het centrum aan de Tempelhofer Strasse werkt. En die groep groeit.

Ze hebben de schoolopleiding voortijdig afgebroken, sommigen hebben financiële problemen, anderen zijn al op hun zeventiende getrouwd, of hebben een beroerde thuissituatie. Het ontbreekt de meesten aan allerlei basisvaardigheden zoals sociaal gedrag, ze komen keer op keer te laat, zijn niet betrouwbaar, kunnen niet communiceren. Duitse probleemjongeren zijn niet anders dan Nederlandse.

Willenbacher vertelt van een jongen die het op school niet meer zag zitten en bij zijn opleidingscentrum terechtkwam. De jongen, 15 jaar, wordt alleen door zijn moeder opgevoed. 'Hij is ongedurig, ongeconcentreerd, maakt niets af.' Toen Willenbacher hem vroeg of hij zijn vader wel eens ziet, zei de jongen: 'Gestern hiess mein Vater Walter'. 'Z'n moeder heeft telkens een andere man. Zo'n knul hou je goed in de gaten.'

Hij heeft ook met zware probleemgevallen te maken, die zo van de straat kwamen. Zoals Joshi. 'Joshi war ein ganz wilder', zegt Herbert Poschen, een collega van Willenbacher die de moeilijkste jongeren onder zijn hoede heeft. Twee jaar geleden kwam hij via het arbeidsbureau bij het opleidingscentrum terecht. Hij was 18 jaar, had speciaal onderwijs achter de rug. Verder niets. Met een groepje kornuiten maakte Joshi de straten van Aken onveilig. Hij was met zijn streken zelfs in de krant gekomen. Hij was klein, dik, een dwarskop. Aanvankelijk viel er geen land met hem te bezeilen. Na enige tijd had Poschen hem zover dat hij de vakopleiding voor autospuiter ging volgen. Zijn vader was ook spuiter. Maar Joshi kwam telkens te laat of was ziek. 'Ik zat hem hardnekkig op de huid', zegt Poschen die zijn Meister was. Meldde Joshi zich ziek, dan reed hij naar zijn huis, naar zijn stiefmoeder. Het heeft twee, drie maanden geduurd. 'Toen was Joshi er plotseling 's morgens om acht uur. Al twee jaar gaat het goed', zegt Poschen, terwijl we naar het garagebedrijf rijden waar Joshi zijn opleiding volgt.

Als we aankomen, is Joshi bezig een auto af te plakken. Rode overall, groene trui. Een bedrijvige jongen, met waakzame bruine ogen en rode wangen, een ketting met een schorpioenteken om zijn hals. Hij moet om half acht beginnen. 'Lukt goed', grijnst hij. Twee auto's op een dag spuit hij. Terwijl hij werkt en praat, werpt hij telkens een steelse blik naar Poschen - alsof hij op instemming hoopt. 'Der Meister ist streng, aber in Ordnung', zegt hij, zodra Poschen door de garagehouder in beslag wordt genomen. Nog één jaar en dan is Joshi klaar met zijn opleiding. Wie weet kan hij blijven bij Holz + Weidenhaupt. Autospuiter is een mooi beroep, zegt Joshi. 'Is m'n vader ook.'

Joshi is een frappant voorbeeld van iemand die diep in de drek zat en er toch uit is gekropen, zegt Poschen later. 'Dat lukt ons niet bij iedereen.' Toch komt 80 procent van de problematische jongeren die hij onder zijn hoede heeft, goed terecht en gaat een vakopleiding volgen.

Opleidingen zijn essentieel, vindt hij. Het aantal beroepen voor schoolzwakke jongeren wordt toch al minder, merken ze bij het opleidingscentrum. Allerlei bedrijven uit de 'oude' industrie worden gesloten. Beroepen in de nieuwe industrie, in de diensten- en informatietechnologie komen ervoor in de plaats. 'Maar daarvoor komen onze zorgjongeren niet in aanmerking. Te moeilijk.'

Intussen neemt het aantal probleemjongeren in Aken toe. 'Wij zijn bang voor gettoïsering van kleinere steden, dat er een onderklasse van ongeschoolde probleemjeugd ontstaat. Zover mogen we het niet laten komen', zegt Poschen. 'Onze jeugd is het kapitaal van de samenleving. Je kunt ze niet eenvoudig opzij schuiven. Je moet in ze investeren.'

80 miljoen Europeanen

Europa heeft te veel laag- en ongeschoolden en te weinig goed opgeleide werknemers voor de banen van de toekomst, heeft het Europese Centrum voor de Ontwikkeling van Beroepsopleidingen becijferd. In Amerika, Australië en Canada is de bevolking veel beter opgeleid. Ten minste 80 miljoen Europeanen, op een beroepsbevolking van 200 miljoen, zijn laag opgeleid en hebben geen startkwalificatie. Ze zijn werkloos of hebben conjunctuurgevoelig en slecht betaald werk. In Nederland is 32,4 procent van de beroepsbevolking laag- of ongeschoold; in Amerika is dat 13 procent. 'Zeker de helft van de Europese werknemers zal zijn kennis in de komende jaren moeten vergroten om mee te kunnen blijven doen', zegt Johan van Rens, directeur van het Europese centrum. Dat vergt forse investeringen.

Het is hard nodig het aantal voortijdige schoolverlaters in Europa de komende jaren terug te brengen van 16 naar 10 procent, schreef oud-premier Wim Kok in zijn rapport Jobs, jobs, jobs dat hij enkele jaren geleden voor de Europese Unie maakte. Dat is tevens een van de belangrijke doelstellingen van de zogenaamde Lissabon-agenda van de Europese regeringsleiders, die tijdens een topconferentie in de Portugese hoofdstad in 2000 een actieprogramma opstelden om van Europa in 2010 de 'meest concurrerende kennisindustrie' te maken. De Lissabon-doelstellingen bleken in de relatief korte tijd te ambitieus. Maar de Britse premier Tony Blair heeft als huidig eu-voorzitter 'Lissabon' weer bovenaan de agenda gezet, want uitvoering van het economische programma is essentieel om de Europese economie sneller te laten groeien en de hoge werkloosheid terug te dringen.

Daarover hebben doeners als Hans de Boer en Robert Zandstra innovatieve ideeën. Eén ding is De Boer tijdens zijn tocht langs bedrijven, arbeidsbureaus, scholen en banenmarkt zonneklaar geworden: het bedrijfsleven is in Nederland los komen te staan van het opleidingensysteem. 'Laten we toch eens ophouden met opleidingen waarmee jongeren toch geen werk krijgen', zei een directeur in het beroepsonderwijs van Friesland hem laatst.

Het klimaat is rijp voor onconventionele oplossingen, denkt De Boer. Tweede-kans- beroepsonderwijs moet de zorgleerlingen een herkansing geven. Deze jongeren moeten een arbeidscontract voor twee jaar krijgen en in die tijd leren en werken. De Boer is nog druk in de weer om subsidies te organiseren bij het ministerie van Onderwijs, het Europees Sociaal Fonds en gemeenten.

De Boer: 'En we moeten het bedrijfsleven committeren, net als in Duitsland. Ons systeem is te vrijblijvend.' En hoewel het Duitse beroepsonderwijs in eigen land in discussie is (uitbreiding van het aantal it-beroepen is dringend gewenst, en bedrijven zijn zuinig wegens de economische crisis), heeft het systeem zich bewezen. Het is een succesvol instrument om de jeugdwerkloosheid te verminderen en economische groei te bevorderen, constateren Axel Plünnecke en Dirk Werner in een onderzoek voor het Institut der deutschen Wirtschaft in Keulen dat vorig jaar uitkwam. Het lukt de Duitsers om het grootste deel van de jeugd alsnog met een vakdiploma uit te rusten.

Doordat drop-outs sneller worden opgevangen, is de jeugdwerkloosheid in landen met een duaal stelsel (Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland en Denemarken) structureel lager dan in Europese landen die zo'n systeem niet hebben, stellen de onderzoekers.

'Met het afschaffen van de vroegere ambachtsschool hebben we onszelf in de voet geschoten', zegt De Boer, die inmiddels 20.000 van de gewenste 40.000 vacatures (stages, leer-werkplekken of banen) in de wacht heeft gesleept. Hij had gehoopt eind 2005 klaar te zijn, maar de economische dip duurt langer dan menig econoom had voorzien.

Zijn voorlopige balans: het voortgezet middelbaar beroepsonderwijs telt zo'n 400.000 leerlingen, 60.000 vallen buiten boord, 30.000 hebben geen startkwalificatie. 'Zij zijn niet verloren, maar hebben wel tweede-kans- beroepsonderwijs nodig', zegt De Boer, 'zodat er van die 30.000 weer 15.000 aan het werk komen als het economisch beter gaat'.

Scholingsboulevard

In perioden van werkloosheid kan de slogan 'werk, werk, werk' voor kwetsbare groepen beter vervangen worden door 'scholing, scholing, scholing', concludeert het Sociaal en Cultureel Planbureau in de notitie over de toekomst van de arbeidsmarkt. Daarin wordt ook gepleit voor een kwalificatieplicht voor jongeren. Tot circa 23 jaar zouden jongeren zonder enig beroepsdiploma de arbeidsmarkt uitsluitend moeten mogen betreden met een verplicht scholingstraject.'Een startkwalificatie gaat voor werk', zegt ook Robert Zandstra.

Enschede heeft gekozen voor de vlucht naar voren. Samen met de wethouder, leraren en ondernemers heeft Zandstra een uniek plan ontwikkeld. Er moet niet één tweede-kansschool komen, maar een hypermoderne scholingsboulevard voor beroepsonderwijs (Vmbo, mbo) en voortgezet onderwijs. Dan krijgt het Vmbo meteen een ander imago. Wethouder Eric Helder toont het ontwerp van het architectenteam. Twee komvormige schalen naast elkaar, waarin leerlingen en docenten 'wonen' in open ruimten. Open lokalen staan in verbinding met tientallen leerbedrijven, ondernemingen uit de buurt, horeca, een drukkerij.

'We willen de praktijk naar binnen halen, zodat leerlingen hier direct mee in contact komen', licht hij toe. Er is inmiddels subsidie en de eerste paal wordt dit jaar geslagen. In 2009 moet het complex af zijn. Robert Zandstra neemt er met zijn team van zeventig medewerkers ook zijn intrek.

De scholingsboulevard draait om het principe van 'meer luisteren naar de markt', zegt hij. Het zal een cultuuromslag vergen van docenten, want eigenlijk moet een op de vijf leraren steeds op pad zijn in het bedrijfsleven.

'Elke jongere heeft een knopje', zegt Zandstra. 'Dat moet je vinden en indrukken. Maar daarvoor is meer nodig dan een klaslokaal.' Bij veel jongeren is hem dat gelukt. Neem Lena. Sinds kort heeft ze in Hengelo een eigen kapsalon: Coiffure Lena. En haar agenda is elke dag overvol.

'Ik vergeet nog iets belangrijks', zegt Zandstra als hij de deur uitloopt, op weg naar zijn volgende project. 'Al die galbakjes zijn hele leuke mensen, als je ze wilt leren kennen.'

Michèle de Waard is redacteur van NRC Handelsblad.

Merlin Daleman is fotograaf.

[streamers]

'Het aantal voortijdige schoolverlaters is in Nederland hoog vergeleken met onze buurlanden'

'In Nederland is het taboe om te zeggen dat je wordt opgeleid voor een baan', zegt Hans de Boer

'Koste wat kost moet voorkomen worden dat er een verloren generatie van jongeren ontstaat.'

'Als u wist hoeveel brieven ik heb geschreven. Maar ik word steeds afgewezen. Geen ervaring.'

'Wij zijn bang voor gettoïsering van kleinere steden, zover mogen we het niet laten komen.'

    • Michèle de Waard