Wat klinken die Duitsers toch vreemd

Adam Thorpe wordt door zijn uitgever nog steeds gepresenteerd als `de auteur van Ulverton', naar de roman waarmee hij dertien jaar geleden voor het eerst de aandacht trok: twaalf verhalen gesitueerd in een dorp in Zuid-Engeland door de eeuwen heen. Dat was een zeldzame verrassing, al die uiteenlopende voorouders bijeengebracht onder één noemer. Zelfs het ene verhaal dat nooit helemaal te volgen was, zo stijf geknoopt zat het streekdialect van de tuinman die het vertelde in elkaar, heeft een vriendschappelijke herinnering nagelaten.

Sindsdien zijn er van Thorpe vijf romans en verhalenbundels verschenen, vindingrijke en onderzoekende werken, maar minder zeldzaam dan Ulverton. En nu krijgen wij zijn zevende, zo ambitieus als het maar kan, dat zich afspeelt aan het eind van de Tweede Wereldoorlog in Duitsland in een zwaar beschadigd provinciaal museum dat tot slot helemaal een ruïne wordt.

Het voornaamste deel van het tweeledige verhaal (hoofdstukken om en om) speelt zich af in de versterkte kelder van het museum waar directeur Hoffer en drie medewerkers, een man en twee vrouwen, bijeen zitten. De tussenliggende verhalen spelen enkele dagen later, wanneer de Amerikanen de stad bezetten, het museum bijna geheel verzakt is en de staf eronder bedolven ligt. Dan is er nog een kleine opslagruimte waar een Amerikaanse sergeant zich heeft verstopt, iemand die geïnteresseerder is in kunst dan in oorlog en blijkbaar niet bang is om opgepakt te worden voor desertie. Wij volgen zijn gedachten totdat ook hij omkomt wanneer die kelder instort.

Als een geschiedenis is het verhaal over de Duitsers tamelijk beklemmend; zij het niet zo aangrijpend als het zou moeten zijn. Dat komt gedeeltelijk doordat dood en vernieling alledaagse kost zijn voor ons als televisiekijkers. Belangrijker is dat Thorpes Duitsers zich pijnlijk on-Duits voordoen. In de beschrijvende passages is wel eens een glimp van hun Duitse achtergrond op te vangen, maar het geluid van hun dialogen is zo idiomatisch Engels als van drinkers in een pub. Het is dan ook moeilijk om de gesprekken van vreemdelingen in een roman enigzins buitenlands te laten klinken. Sommige schrijvers vinden daar iets op; Thorpe niet. Hij schrijft alsof hij denkt dat de lezers er wel aan zullen wennen; zich zullen aanpassen. Engelse lezers doen dat misschien ook. Die denken van huis uit zo'n beetje dat Engels de basistaal van de wereld is. In een paar gunstige besprekingen van Thorpes boek in Engelse bladen was dan ook geen woord te vinden over het taalprobleem.

Nederlandse lezers zullen er echter wel over vallen. Die weten hoe hun oosterburen klinken, heel anders dan Engelsen; en hoe dat onderscheid ook in geschreven dialogen te herkennen is. Als wij de museumstaf horen praten, wordt de verbeelding niet verplaatst naar het geteisterde stadje Lohenfelde in 1945; wij worden verplaatst in de gedachten van Thorpe. Dat de museumdirecteur steeds Herr Hoffer wordt genoemd, vele honderden malen, doet daar niets aan af. Moest dat hem soms tekenen als een stijve functionaris? Dat is hij niet geworden: een heel geschikte gekwelde gezinsvader, de enige van de personen die wij goed leren kennen; het Herr begeleidt hem alsof hij een mal hoedje op heeft.

Nu moet niet de indruk ontstaan dat Thorpe helemaal uit vorm is en afgevoerd mag worden uit de kring van romanschrijvers naar wier volgende boek wij uitzien. Hij heeft deze keer veel te vertellen over de Duitse schilderkunst van de afgelopen eeuw en over de gevoelens daarvoor zowel van zijn zogenaamde Duitsers als van de Amerikaanse sergeant in de andere hoofdstukken.

Al met al redenen genoeg om Thorpe in de gaten te houden. Vurige belangstellenden zouden zelfs een paar van de lovende Engelse besprekingen van The Rules of Perspective kunnen opsporen, en onderzoeken hoe de beoordelingen zo verschillend kunnen uitvallen.

Adam Thorpe: The Rules of Perspective. Jonathan Cape, 340 blz. €24,95