Schaduw in Hiroshima

We stonden in Hiroshima naar een stenen muur te kijken. Het enige dat we konden zien was de schaduw van een mens. Die was in de muur gegrift op het moment dat hij op 6 augustus 1945 werd weggevaagd door het verblindende licht van de eerste atoombom. Olof Palme, de toenmalige premier van Zweden, keek ernaar met strakke blik. Een uur later moest hij een toespraak houden als hoofd van de Onafhankelijke Commissie voor Ontwapening. ,,Mijn angst is'', zei hij, ,,dat van de mensheid zelf uiteindelijk niets meer zal overblijven dan een schaduw op een muur.''

Charles de Gaulle heeft eens gezegd: ,,Na een kernoorlog zouden beide partijen niets meer hebben: geen macht, geen wet, geen stad, geen cultuur, geen wieg, geen graf.'' Nikita Chroestsjov, die aan het hoofd stond van de Sovjet-Unie ten tijde van de Cubaanse rakettencrisis, schreef later: ,,Toen ik alles te horen kreeg over atoomkracht, kon ik dagenlang niet slapen.'' En één van zijn opvolgers, Michail Gorbatsjov, heeft eens verteld dat hij tijdens zijn training in het gebruik van zijn `kernkoffer' nooit heeft gedaan alsof hij bevel gaf om te vuren.

Maar tegenover dit gezond verstand staat enerzijds de inertie onder het volk en anderzijds de buitengewoon diepgewortelde cultuur van de `nucleaire afschrikking'. Zoals de analyse luidde van de West-Duitse oud-kanselier Helmut Schmidt (voormalig kernhavik, nu duif): ,,Er is een enorm complex van gevestigde belangen, niet alleen door het lobbywerk in Washington en Moskou, maar ook door de invloed op intellectuelen en op de mensen die boeken en krantenartikelen schrijven en televisieprogramma's maken.'' Waaraan hij nog een slimme observatie toevoegde: ,,Het is als lezer of tv-kijker heel moeilijk om zelfstandig te bepalen wat door deze belangen en wat door rationele conclusies wordt ingegeven.''

In elke discussie over kernwapens komen twee hoofdthema's aan de orde: een moreel en een politiek. Voor sommige mensen zijn kernwapens zo slecht, zo boosaardig in hun vermogen het leven dat wij kennen uit te roeien, dat niet te praten valt over een aangepast of beheerst gebruik ervan; ze moeten verboden worden en zonodig eenzijdig worden ontmanteld. Zelfs als zou blijken dat afschrikking de vrede heeft bewaard, ze is principieel immoreel, want de dreiging met vernietiging is even verkeerd als de daad zelf.

Laatstgenoemde observatie is juist. Maar ze kan net zo goed tot de slotsom leiden dat we het probleem met multilaterale middelen moeten aanpakken – via overeenstemming tussen de tegenstanders. Het middel om ons ervan te ontdoen is net zo'n belangrijk moreel vraagstuk als het middel van de afschrikking. Als een deel van de voorraad zodanig zou worden verminderd dat de instabiliteit en de kans op oorlog zouden toenemen, zou dit net zo'n verwerpelijke daad zijn als de uitlokking van een oorlog door een nieuwe ronde in de bewapeningswedloop.

Thomas Nagel heeft in zijn essay War and Massacre geopperd dat wij ons bewegen tussen twee polen van morele intuïtie. We weten dat er bepaalde uitkomsten zijn die tot elke prijs moeten worden vermeden en we weten dat er bepaalde kosten zijn die nooit moreel te rechtvaardigen zijn. We moeten de mogelijkheid onder ogen zien, zo stelt Nagel, ,,dat deze twee vormen van morele intuïtie niet in één samenhangend moreel systeem te verenigen zijn''.

Ja, maar. We moeten oppassen dat we ons niet laten meeslepen door de bedrieglijke logica van een dergelijke redenering. Ik vermoed dat John Mearsheimer, de vooraanstaande Amerikaanse theoreticus van het machtsevenwicht, zich wel op zijn gemak zou voelen bij deze tamelijk subtiele morele evenwichtskunst. Hij heeft kernwapens een ,,machtige kracht voor de vrede'' genoemd. Tegenwoordig bepleit hij ,,een goed gestuurde verspreiding van kernwapens'' en zou hij graag zien dat Duitsland en Japan ermee bewapend zouden worden.

De titel van het boek van Herman Kahn over de kernstrategie in de Koude Oorlog, Thinking the Unthinkable, vatte het dilemma volmaakt samen: dat het ondenkbaar is om ons de grootscheepse slachting van maatschappijen voor te stellen, maar dat dit tegelijkertijd toch ook noodzakelijk lijkt, in de hoop dat we op een formulering stuiten waardoor het niet zover zal komen. Maar intussen verzamelen we misschien wel zoveel krachten dat juist de uitkomst die we hopen te vermijden het gevolg is.

Toch denk ik dat Kahn – als hij nog leefde – met verbazing zou zien hoe weinig vijandschap er tegenwoordig nog bestaat tussen de oude rivaliserende grootmachten en vooral ook tussen deze twee en de opkomende grootmachten China en India.

Sinds de tijd van 1871-1913 zijn over de hele wereld tussen de grote mogendheden niet zo weinig actieve vijandelijkheden en zo weinig oorlogen geweest. Dit is dan ook zeker de tijd om werk te maken van de dringende noodzaak tot kernontwapening van de grootmachten, want anders ontbreekt de geloofwaardigheid om de kernmachten in spe in de Derde Wereld aan te pakken. Want daar zijn er heel wat bij die net zo goed als de oorspronkelijke grote mogendheden op een dag in staat zijn om een `schaduw op de muur' te werpen.

Jonathan Power is columnist.

    • Jonathan Power