Los van de tijd

Het eeuwfeest van Karl Amadeus Hartmann is in ons land redelijk onopgemerkt gebleven. Ten onrechte. Tijdens de Hitler-jaren trok hij zich terug in `innerlijke ballingschap'. In zijn werk gaf hij weerwoord op wat er om hem heen gebeurde.

''Dit is het einde van de wereld, het meest trieste aller eindes.'' De slotzin van Gesangsszene, een hymne voor bariton en orkest van de Duitse componist Karl Amadeus Hartmann, liegt er niet om. Deze woorden, gebaseerd op een tekst van Jean Giraudoux, waren tevens Hartmanns zwanenzang als toondichter. Enige uren nadat hij op 5 december 1963 de schetsen van Gesangsszene voltooid had, stierf hij. Nadat de voluptueus uitwaaierende orkestklanken in een grimmige schemer zijn verstomd en uitgedoofd, blijft de bariton alleen over, omgeven door een huiveringwekkende stilte.

Op 2 augustus was het precies honderd jaar geleden dat de wereld voor Hartmann begon, toen hij het levenslicht zag in München, de stad die hij zijn gehele leven trouw zou blijven.

,,Nooit zou ik deze stad kunnen verlaten. Ze heeft een ferme greep op hen die er naam hebben gemaakt, zelfs als het er niet bepaald aangenaam is'', schreef hij.

Vanaf 1928 organiseert Hartmann concerten bij de exposities van die Juryfreien, een verbond van beeldend kunstenaars waartoe ook zijn vader en zijn oudere broer Adolf, een verdienstelijk portretschilder, behoorden. De eerste composities van zijn hand komen er tot klinken, naast de nieuwste werken van Stravinsky, Milhaud en Bartók.

Ook als de nazi's in 1933 aan de macht komen, peinst Hartmann er niet over om München te verlaten. Zijn muzikale output en faam als componist begonnen juist vorm aan te nemen, en hij had ervoor kunnen kiezen om de leemte die door de vele gevluchte collega's was achtergelaten aan te wenden ter versterking van zijn eigen reputatie, zoals bijvoorbeeld Carl Orff of Werner Egk dat deden. In plaats daarvan koos Hartmann voor innere Emigration, een volledige terugtrekking uit het muziekleven en het sociale verkeer. Deze innerlijke emigratie hield in dat hij tussen 1933 en 1945 feitelijk de deur niet uit is geweest. Een vrijwillig huisarrest. De dienstplicht ontliep hij door voorafgaande aan de keuring een brouwsel van tot soep gekookte zeep, verkruimelde sigaren en cognac tot zich te nemen.

Zijn muziek mocht dan niet worden uitgevoerd, het weerhield hem er niet van om als een bezetene te componeren en de hem omringende realiteit van een weerwoord te voorzien. Hij neemt les bij Anton Webern, die als leerling van Arnold Schönberg is `geïnfecteerd met het joodse intellectualisme' en tot persona non grata is verklaard. Het is Hartmanns meest vruchtbare periode als componist. Na de oorlog richt hij zich overwegend op het uitwerken en reviseren van de stukken die in deze tijdsspanne zijn ontstaan. En wordt hij de motor en inspirator van Musica Viva, een concertserie met louter nieuwe muziek, plus alles wat tijdens de nazi's verboden was, die een belangrijke springplank vormde voor de jonge naoorlogse generatie componisten, als Hans Werner Henze (1926) en Luigi Nono (1924-1990).

Henze: ,,Ik heb altijd van Hartmanns muziek gehouden. Ik kende haar auteur, die zoveel begreep van de liefde, die ironisch was, gevoelig, en een groot hedonist. Zijn muziek is een verklanking van deze liefde – welke zich nauwelijks anders dan in sombere tinten kan uiten, omdat zij weet heeft van de menselijke natuur. Zonder Hartmann zou er geen Henze zijn.''

Emotioneel

De muziek van Karl Amadeus Hartmann is aangrijpend en emotievol. Het sluimert, broeit, zindert en voert langs weidse en dramatische muzikale landschappen. Zijn klankwereld heeft een subtiele expressiviteit, die niet direct overrompelt, maar je geleidelijk bij de lurven pakt en meevoert in een staat van contemplatie en gewichtloosheid. De kern van zijn oeuvre, dat verwantschappen vertoont met de muziek van Gustav Mahler en Alban Berg, wordt gevormd door zijn acht symfonieën. Vooral in de langzame delen is Hartmann in zijn element. Zodra er aanduidingen als Lamento, Adagio, of Largo boven de partituur staan, gebeuren er ijzingwekkend mooie dingen en lijkt de muziek zich los te zingen van de tijd.

Rond 1992 werd ik door Hans Werner Henze een aantal keren meegenomen naar theepartijtjes bij de weduwe Elisabeth Hartmann, in hetzelfde statige Münchense herenhuis aan de Wilhelmstrasse waar ze ook hun jaren van `innere Emigration' doorbrachten.

In de salon viel goudgeel strijklicht van een winterse namiddagzon door de hoge vensters naar binnen, en speelde met de plooien van de gedrapeerd overhangende gordijnen. Het verleende een warme gloed aan de antieke vazen, schalen en amfora's, die her en der in vitrines waren opgesteld. Aan de muur hing een groot aantal 18de-eeuwse gravures, expressionistische schilderijen, Italiaanse barok, enkele stillevens en wat werk van broer en vader. Bedienden in livrei ruisten af en aan over de dikke Perzische tapijten. In nissen, half verscholen achter de kamerpalmen, ontwaarde ik enige torso's en bustes op zuilen. Niet de vervelendste stek om innerlijk naartoe te emigreren, kortom.

De gastvrouw zat schrijlings op een kobaltblauwe chaise longue en nipte van haar thee. Ze was zachtaardig, gedistingeerd en bleek over een groot reservoir anekdotes te beschikken. Ze herinnerde zich Münchener soirees waar Richard Strauss en `die Paula', zijn vrouw, de generaalsdochter Paula de Ahna, kiftend over geld hun opwachting maakten, en de bijeenkomst kiftend over geld ook weer verlieten.

Elisabeth, née Reussmann, had Karl Amadeus leren kennen toen ze zestien was, en hij vierentwintig. Haar vader, een invloedrijk en welvarend industrieel die een kogellagerfabriek bezat in het nabijgelegen Schweinfurt, was tegen hun relatie en noemde deze `sociaal ongepast'. Hij stuurde haar voor een jaar naar Engeland, maar ze onderhielden een correspondentie. Op de dag dat Elisabeth meerderjarig werd, trouwden ze.

Smal plankje

In een zijvleugel van de salon bevond zich Hartmanns werkruimte. Hier was zijn schrijftafel en stond zijn vleugel, een mahoniekleurige Blüthner. Alles was sinds de dag van zijn overlijden onaangeroerd gebleven. Op de lessenaar van de piano stond het vel muziekpapier met daarop de slotmaten van de Gesangsszene. Op het smalle plankje, links naast het toetsenbord, lag nog zijn bril, en een paar potloden en vlakgom, ogenschijnlijk klaar voor gebruik. Eens per week werd alles nauwgezet en met uiterste zorg door de huishoudster afgestoft.

Ik bevond mij hier dus in de cocon van de `innerlijke ballingschap', het bastion van waaruit ze de luimen van de tijdsgeest met succes hadden weerstaan. Ik moet toegeven, het had iets beklemmends, vooral die potloden schreeuwden om actie. Na afloop bood het om de hoek voortrazende verkeer mij geruststelling.

Maar wat me van deze visites vooral bijbleef, is dat ik er de sfeer proefde van een ander, ouder Duitsland. Een Duitsland dat ik wel kende uit boeken, maar nog nooit aan den lijve had ondervonden. Als in een door vreemdsoortige tijdskrommingen veroorzaakte stolling, was er achter deze gevel in het chique Schwabing een enclave van dit oude Duitsland blijven voortbestaan. Als een soort ambassade van goede smaak, wijsheid en eruditie, onaangetast door de Weimar-republiek, de Waffen SS of het Wirtschaftswunder.

Het had een tastbare band met de negentiende eeuw en stond in verbinding met een veel bredere stroom pan-Europese cultuur. Het was daar dat ik voor het eerst oprecht van Duitsland leerde houden.

Hoewel Hartmanns muziek elders niet over gebrek aan aandacht te klagen heeft, is zijn eeuwfeest in ons land redelijk onopgemerkt gebleven. Eerder dit jaar voerde het Rotterdams Philharmonisch Orkest twee symfonieën uit, als slot van een driejarig Hartmann-project en koppelde het Goethe Instituut daaraan een bescheiden tentoonstelling. Hiermee doen we onszelf tekort. Bijna alle vocale muziek van Hartmann is het beluisteren meer dan waard. Hij begon de jaren van `innerlijke emigratie' met het schrijven van een opera Des Simplicius Simplicissimus Jugend, naar de zestiende-eeuwse epische vertelling van Hans Jakob von Grimmelshausen over de Dertigjarige Oorlog. In zijn Kleine Schriften schrijft Hartmann: `Deze typering over de omstandigheden tijdens de Dertigjarige Oorlog raakte mij buitengewoon – ,,de tijden zijn zo vreemd, dat je onmogelijk kunt weten of je zult overleven''. Dit is ook op de situatie van nu van toepassing. Er zit verder niets in het verhaal dat je in een opera zou verwachten. Het zet het menselijke ras neer als zijnde barbaars, maar toch voel ik de noodzaak dit op de planken te zetten, niet als onderhoudend theater, maar als een dringende boodschap. De Simplicius reflecteert over het lot van de maatschappij van vandaag en is getuige van oorlog en moord.'

Hartmanns `dringende boodschap' was al in 1934 voltooid, maar het duurde tot 1948 alvorens de opera een concertante uitvoering kreeg. In 1929 had Hartmann al een korte opera geschreven die wel werd gerealiseerd: Wachsfigurenkabinett, in een enscenering van Clemens von Franckenstein, die zelf ook operacomponist was.

Opvallend aan de muziek van Hartmann is dat die zich in een vaarwater begeeft waarin ontstellend veel slechte muziek is gecomponeerd. Het aanhaken bij elementen uit de symfonische traditie en deze vermengen met moderne timbres en structurele principes leidt normaal gesproken steevast tot de allerakeligste bombast, of het meest onverdraaglijke gedreutel. Maar bij Hartmann vallen deze dingen allemaal wel op hun plek en zit de muziek goed in haar vel. Wat vooral opvalt is zijn fenomenale vormgevoel en beheersing van de orkestklank. Van de symfonieën stellen de vierde en vijfde, met hun wat oppervlakkige neo-barokke motoriek, enigszins teleur. Maar dit wordt volledig tenietgedaan door de peilloze diepten die er in de Eerste en de Zesde symfonie worden opgeroepen. De Eerste symfonie, die als subtitel Versuch eines Requiems heeft, is gebaseerd op teksten van Walt Whitman en is gemodelleerd naar de symfonieën van Mahler, voor sopraan en orkest. De Zesde heeft een tweedelige vorm en vangt aan met wellicht de allerbeste der Hartmann-adagio's, een klaaglijk gesomber dat aanvangt in de fagotten en dat in een tijdsspanne van tien minuten tot het kookpunt geraakt.

Steeds rijker

Als ik mijn gedachten laat gaan over de `innerlijke emigratie', merk ik dat deze nog wel eens kan kantelen. Was het niet een beetje makkelijk, met zo'n schoonvader die naarmate de oorlog vorderde steeds rijker werd? Maar aan de andere kant, had hij dan de straat op moeten hollen en heel hard moeten roepen `Hitler is een lul', of een cantate met een dergelijke strekking moeten componeren? Oordelen is altijd makkelijker dan handelen. Hartmann koos ervoor om muziek te gaan schrijven, omdat muziek op een bijzondere, onderhuidse en woordeloze manier getuigenis aflegt van wat er om haar heen plaatsvindt. Op een aprilavond in 1945 zag hij vanuit de villa van zijn schoonvader aan het Starnberg-meer hoe een colonne van 20.000 gevangenen uit Dachau werd weggeleid, om ze buiten het bereik van de oprukkende geallieerde troepen te houden. De volgende ochtend werd de colonne nog steeds voortgeranseld langs de weg. `Eindeloos de stroom, eindeloos de misère, eindeloos het lijden', noteerde Hartmann bovenaan de partituur van zijn pianosonate 27 April 1945. In het ritme waar het stuk mee aanvangt weerklinkt het voet voor voet schuifelen van deze slachtoffers van tirannie.

Zie voor inlichtingen over concerten in Duitsland

www.karlamadeushartmann.com

`Eindeloos de stroom,

eindeloos de misère,

eindeloos het lijden'

Dankzij Hartmann ging ik oprecht van Duitsland houden