Hier ben ik, want ik blijf

In de nacht van 30 op 31 mei 1975 trad de Vlaamse dichter Hugues C. Pernath (1931-1975) in Amsterdam op tijdens de Nacht van de Poëzie. Zijn verschijning en wijze van voordragen waren precies zoals ik me de dichter, die ik kende vanaf zijn eerste verzamelbundel Instrumentarium voor een winter (1963), voorstelde: schuw, gejaagd, eerder mompelend dan verstaanbaarheid nastrevend. Pernath las de eerste drie strofen voor van een lang, episch gedicht-in-wording, `Amsterdam'. De openingsregels ervan luiden: `Met deze stad heb ik mijn geboortestad gemeen,/ De beginletter van het alfabet van mijn verbeelding.'

Op 24-jarige leeftijd publiceerde Hugues C. Pernath de bundel Meidood die opent met veelzeggende regels, waarin Pernath zijn poëtische overtuiging uitdrukt: `Ik zou willen zijn het onbekende huiversprookje/ Dat een grootmoeder me nooit vertelde,/ Van de lauwe taal de heldere ruimte/ Tussen nu en herfst.' Pernath wil de lezer met zijn poëzie niet zozeer ontroeren, maar eerder `huiver' overbrengen en de symboliek van `herfst' benoemen. In het verlengde van huiver gebruikt Pernath woorden als rauw, bitter, schrik, eenzaamheid, leugen. Tijdens zijn leven verschenen drie verzamelbundels. Na Instrumentarium kwam Mijn gegeven woord (1966) en in 1973 een van de onbetwiste hoogtepunten van de Nederlandstalige poëzie, de majestueuze bundel Mijn tegenstem. Met de recente uitgave van het volledige werk, Gedichten, kan de lezer de fascinerende ontwikkeling van Pernath volgen. Hij evolueert van een dichter van geconcentreerde regels naar pure lyriek.

Er is geen dichter in het Nederlands taalgebied die zo weerbarstig schrijft als Pernath. Het vroege werk bestaat uit hermetische taalbouwsels, vaak met een hortend ritme geschreven. Kort na zijn dood schreef zijn vriend Hugo Claus een indrukwekkend herdenkingsgedicht, `Het graf van Pernath' (1977), waarin hij het heeft over `krakkemikkige stijlfiguren', `melaatse gezangen' en over Pernaths poëzie die zo `naakt' is als de val van een man in het trappenhuis. Met dit laatste doelt Claus op de doodsoorzaak van Pernath: hij werd onderaan een trap gevonden.

In werkelijkheid heette hij Hugo Wouters. Onder die naam diende hij jarenlang als beroepsofficier in het Belgische leger, later werd hij boekhouder. Pernath sloot zich aan bij de avant-gardestroming Gard Sivik (1955-1964). Met medeoprichters Paul Snoek en Gust Gils hield deze nieuwe generatie van Vlaamse dichters, ook wel de `Vijfenvijftigers' genoemd, een pleidooi voor poëzie die is geschreven met de oorlogsjaren nog vers in het geheugen van de dichters. Pernath was negen toen de oorlog uitbrak. Met zijn familie vluchtte hij naar Frankrijk. In Borgerhout, een voorstad van Antwerpen, waar veel joden woonden maakte hij tussen juli en september 1942 grootscheepse razzia's mee. In verzenreeksen als `Exodus' en de `Auschwitzgedichten' drukt hij in vaak stamelende verzen de herinnering aan de razzia's uit.

Claus' hommage aan Pernath als de zanger van `melaatse' gedichten en zijn `krakkemikkige' retoriek is superieur in zijn ironie. En scherpzinnig. Over Pernath is gesuggereerd, onder anderen door collega-dichter Leonard Nolens, dat hij de Nederlandse grammatica ternauwernood beheerste en dat hij zichzelf als autodidact heeft leren schrijven. Nolens: `Volgens mij was dat gewrongene niet gewild maar kon hij niet anders dan zo schrijven.' Het is een intrigerende stelling die toch bezijden de waarheid is. Pernath schreef niet uit onvermogen, maar hij wilde gedichten schrijven in een ongemeen pure taal, wars van elk cliché. Nooit is Pernath te betrappen op een quasi-poëtische formulering of vage romantiek. Hij zoekt eerder de hardheid van de taal, het onopgesmukte in overweldigende en tegelijk geconcentreerde kracht. Zeker in het vroegste werk van Instrumentarium voor een winter of Mijn gegeven woord lijkt het alsof zich achter elk gedicht nog een veel langer gedicht bevindt. Het schrijven van gedichten is voor hem een kwestie van kappen, comprimeren, tot de essentie terugbrengen.

Je kunt je hersens kapot kraken op die eerste gedichten van Pernath. Als lezer wil je begrijpen, een houvast vinden, en juist als je denkt een toegang gevonden te hebben in die bijna verduisterde kamers van zijn verzen, dan valt de deur weer in het slot. De vervoering die de verzen oproepen schuilt in het adembenemend botvieren van de rijkdom van taal. Pernath maakt veelvuldig gebruik van ontkenningen, zoals in de volgende strofe: `Er was geen vuur, geen raken/ Geen breken van het water,/ De moeder draagt wat hevig is/ En leest haar kind de dagen voor.// Alles wordt soms sterren, gebleven/ Zoals het was, met mens het harde trillen/ Het zachte erts der bitterheid.' Het is een gedicht over geboorte, zoals de tweede regel aanduidt. Maar hoe dan de beginregels te interpreteren? Dat `geen vuur, geen raken' lijkt in contrast te staan tot passie of liefde. Pernath is altijd de dichter die de tegenstelling opzoekt. Erts is hard, maar hij voegt er het adjectief zacht aan toe. Het is een spel met paradoxen. Prachtig is de moeder die haar kind de dagen voorleest. Dat heeft meerdere betekenissen. Ze kan haar kind voorlezen als uit een boek, ze kan met haar kind ook zijn of haar toekomstige leven `voorlezen', alsof ze het leven van het kind voorspelt.

De grootste sprong die Pernath in zijn ontwikkeling maakte, viel aan het eind van de jaren zestig. Met De acht hoofdzonden (1969-1970) verliet hij de dwarse, gesloten, geconcentreerde vormen en schreef hij lyrisch-stromende verzen van een grote schoonheid en innige herkenbaarheid. Het spel met tegenstellingen is gebleven, maar de verstaanbaarheid is gegroeid. Bovendien gebruikt Pernath bij herhaling ongeveer alle middelen uit de literaire kunst, zoals alliteratie, ellips, metafoor, binnenrijm.

Het gedicht `De onkuisheid' is een hoogtepunt. Het is een bezwerend vers dat beheerst wordt door de gebiedende wijs. Die combinatie in een liefdesvers is opmerkelijk: de ik-figuur eist de liefe op, zonder erom te vragen of smeken. Het begint als volgt: ,,Geloof in mij, want ik geloof in jou/ Weigerend wat was en wetend wat ons weerhield./ Ik zal je vernoemen, je mee voorbij dit leven dragen/ Jij, Enige, en schaduw die mij bedekt./ Door jou ben ik geworden en met de littekens/ Van jouw weefsels, de waas van jou.'

Het gedicht eindigt met een liefdesverklaring die getuigt van overgave: `Jij bent mijn eerste dag. Hier ben ik, want ik blijf.' Interessant is het voegwoord `want' in zowel openings- als slotzin. In de eerste regel dwingt de ik-figuur het vertrouwen van de geliefde af. En in de laatste woorden geeft hij zichzelf prijs als de man die bij zijn geliefde blijven zal. Juist tegen het einde staat een regel die pas na vele malen herlezen zijn diepste betekenis prijsgeeft. `Tussen jou en mij geen overleven.' Vlak daarvoor schrijft de dichter over het samen ouder worden in een leven dat telkens opnieuw is als `het begin der dagen'. In dit opzicht krijgt de regel`tussen jou en mij geen overleven' een intense betekenis. Samen ouder worden betekent in feite ook samen sterven, want de een zal de ander niet overleven.

Deze voorbeeldig verzorgde en geannoteerde editie van Pernaths Gedichten maakt een oeuvre toegankelijk dat boeit in zowel de poëtische schittering als de ontwikkeling. Een van de meest voorkomende woorden is `eenzaamheid'. Twee jaar voor zijn dood voltooide hij de cyclus `De tien gedichten van de eenzaamheid' waarin regels staan als: `In het liefdeloze landschap van mijn eenzaamheid/ Heerst geen beweging die mij bedaart, geen rust/ Die mij troost.' Deze cyclus is Hugues C. Pernath ten volle: tien keer 25 regels over zo'n alomvattend onderwerp als eenzaamheid, op een manier die uniek is. Nooit uiting gevend aan zelfbeklag. Wel de uitdrukking van een gevecht om in taal dat besef van eenzaamheid te vangen, zoals in de strofe `Ik treur niet, geen tederheid trekt mij aan/ Geen lichaam kan ooit het mijne voelen/ Geen ander oor mijn verwarring, mijn onrust/ In de sprakeloze plaag van de taal.'

Hugues C. Pernath: Gedichten. Onder redactie van Yves T'Sjoen. Atlas/ Lannoo, 581 blz. €22,50