Het leven is kleiner dan een zakdoek

Er komt weinig van de grond in Verdwenen obers. `Niet' lijkt het favoriete woord van Victor Schiferli, en in haast elk van zijn gedichten bepaalt het vergeefse de horizon. De titel van de bundel voorspelt het al: Verdwenen obers – hier valt niets te bestellen. Een staatslot verdwijnt met de wind door het openstaande raam; de prijs kan dus niet worden opgehaald. `Niets persoonlijks' heet de tweede afdeling, en de kernzin van het vers dat ook zo heet luidt: `En al die tijd heb ik niet gehoord / wat u zei.'

Je zou er somber van worden als lezer, maar daarvoor is de toon van Schiferli's poëzie toch te monter. Telkens als hij aan een nieuw sonnet begint, schrijft hij, `slaat de werkelijkheid als een kapperspiegel tegen het geknipte hoofd.' Dat doet pijn, denk ik dan, maar deze dichter houdt vol. Hij zit thuis en streelt zijn muze `alsof dat niets kost'. Een heus sonnet zal niet meer op papier komen, want veertien regels is allang niet meer zijn stiel. Eén regel is soms al lastig genoeg, getuige het gedicht `Ooit wist je een regel':

Ooit wist je een regel, maar die was

nu even weg. Zo kon je op momenten

van verveling plukken aan het gras,

je deed er niets, niets bijzonders dan.

Het gras ruikt het meeste naar aarde

dacht je, toen je been te slapen begon

en de tinteling maar niet bedaarde,

zodat je versteende waar je stond.

En juist in van die leemtes van de dag

gebeurde het dat je een inzicht had

en veranderden de dingen die je zag

in zuivere regels, die je direct vergat.

Dit vers heeft een hoog Komrij-gehalte – ook al door het gebruik van de tweede persoon; maar de gesel van de ironie ontbreekt hier. Schiferli's register varieert van flegmatisch tot laconiek. De humor die hij daarbij etaleert werkt relativerend, maar onvoldoende om de onrust die je als lezer bekruipt te bezweren. Het is geen zware kost, deze poëzie. Je voelt je redelijk vermaakt, maar na een vers of drie overvalt je niettemin een onbehagen.

In zijn debuut, Aan een open raam, toonde Schiferli zich vijf jaar geleden al geen levensgenieter. De illusieloze cirkelgang die de gedichten in zijn eerste bundel typeerde is in Verdwenen obers opnieuw de motor van zijn poëzie. Maar deze tweede bundel is aanmerkelijk sterker dan de eerste. Dat komt vooral door het beeldenarsenaal dat nu is opengetrokken. Schiferli heeft, als het om het scherp tussen droom en werkelijkheid gaat, heel wat illusies in de hoge hoed. Hij grossiert in verrassende beelden. Een hond is bij hem `een kijkdoos die staat / waar hij wil. Ziet hij een spijkerbed / blijft hij staan, een wakend dier'. Een gedicht dat zo begint wil ik uitlezen, en die ervaring heb ik bij veel verzen in Verdwenen obers.

De bundel besluit met een veertien gedichten tellende cyclus, voorafgegaan door een proloog. `Vergeten vaders' heet de serie. Schiferli vertelt daarin (voor zover dichters vertellen) het verhaal van een door zijn gezin verstoten vader uit de jaren twintig van de vorige eeuw. Het is het gelaagde verhaal van een zich in de familie herhalend trauma van scheidingsbrieven en wel of geen bezoekrecht. De achterkleinzoon van de kelner koos er een treffend motto voor uit een gedicht van Montale: `Het leven dat zo immens leek / te zijn, is kleiner dan je zakdoek.' Dat motto past niet alleen bij 'Vergeten vaders'. Het vat samen hoe Victor Schiferli in ieder vers van Verdwenen obers naar zijn omgeving en de horizon kijkt.

Victor Schiferli: Verdwenen obers. De Arbeiderspers, 60 blz. €14,95

    • Arie van den Berg