Het armageddon is nabij

Eeuwenlang hebben kunstenaars de natuur bezongen. Nu, zo blijkt op tentoonstellingen in Haarlem en Amsterdam, documenteren ze natuurvernietiging.

Twee foto's uit deze krant. De één een foto van Rien Zilvold, van een olie-eend uit de Waal. Pikzwart was het beest, een stroperige druppel aan de snavel. Hij dreef op spiegelglad water met onder hem zijn perfect zwartgelakt spiegelbeeld. Geen alledaags beest meer, maar een gestroomlijnd fabeldier, bijna geglazuurd.

En een foto van het persbureau Reuters uit de krant van dezelfde dag. Een koe die koket omkeek in de camera, een ibis op haar rug. Links vooraan een hond. Een vredig tafereel, totdat je zag waar het plaatsvond: op de vuilnisbelt van New Delhi.

Waarom zijn deze foto's zo tragisch mooi? Natuurlijk omdat ze tonen hoe fotogeniek milieuvervuiling is. Maar er is nog iets mee aan de hand. Daar kom je achter op de tentoonstelling WereldNatuurKunst, die Staatsbosbeheer in De Nieuwe Kerk in Amsterdam heeft ingericht en die gaat over `de blik' van `de mens' op `de natuur'.

Wereld. Natuur. Kunst. Het zijn me de trefwoorden wel. In De Nieuwe Kerk loop je langs 135 voorwerpen en kunstwerken die deze drie grootheden moeten verbeelden. Totemdieren, diermaskers, gebruiksvoorwerpen in de vorm van planten en beesten; handschriften, schilderijen en wandtapijten vol levensbomen en vruchtbaarheidsrivieren. Het is als: enige korte woorden spreken over het heelal. Of: God uitleggen in een sms-je.

Temidden van al die pretentie ontdek je waarom deze twee foto's uitzonderlijk zijn. Niet alleen omdat ze tonen hoe mooi milieuvervuiling is. Ook omdat ze breken met een lange traditie. De zwartglanzende eend komt in je gedachten bij het zien van de glanzend geglazuurde dierfiguren op Chinees aardewerk. De foto van Reuters doet denken aan een Arcadisch landschap. Op een `veestukje' van Jan Kobell uit 1804 kijkt een koe je precies zo vriendelijk aan als die op de foto. De koeien op het schilderij hebben gras, helder water vlakbij en weelderige bomen boven hun trage koppen, warme aarde onder hun hoeven. Op de foto heeft dat alles plaatsgemaakt voor een landschap van afval, waarin de dieren moeten zien te overleven. Postapocalyptische pastorale.

Daarom. Zolang de mens bestaat, bedenk je al dwalend door de Nieuwe Kerk, heeft hij de natuur met kunst bezongen, geloofd, geprobeerd haar te bezweren of te evenaren. Nu documenteert hij natuurvernietiging.

In Wereld.Natuur.Kunst blijken overigens twéé tentoonstellingen schuil te gaan: één cirkelvormige opstelling met cultuurhistorische gebruiks- en kunstvoorwerpen van de vroegste tijden tot pakweg de negentiende eeuw. En één lukrake wandelroute met moderne kunst in de kooromgang van de kerk.

Kooromgang

Over die cirkel is duidelijk lang nagedacht. Die moet zowel ordening als compleetheid suggereren in wat natuurlijk een oneindig onderwerp is. In een wijds gebaar en zonder verder op slakken zout te leggen is `Wereld' daarom onderverdeeld in vier cultuurgebieden, te weten het westen, de islam (van Indonesië tot Iran tot Marokko), Aziatische culturen (hindoeïsme, taoïsme en boeddhisme op één hoop) en primitieve culturen van alle continenten. Voorwerpen zijn in de kerk als concentrische cirkels gerangschikt, met de primitieve culturen in het centrum en de westerse als buitenste ring.

Tegelijk is de expositie gerangschikt langs vijftien thematische assen, de `spaken' van het wiel. Aan de hand van volstrekt uiteenlopende thema's als `ontstaan', `slang', `nut' en `metamorfose' kan de bezoekers de natuurvisie van de vier culturen vergelijken. Natuurlijk is die neutraliteit bedrieglijk. De assen zijn genummerd, de culturen hebben een volgorde. Eraan ten grondslag ligt het natuurhistorische idee van hiërarchische ordening – zo niet van vooruitgang, dan toch minstens van een toenemende mate van complexiteit.

Een voorbeeld. De tweede `spaak' wordt gevormd door een dier dat wegens zijn gespleten tong, zijn vermogen uit zijn eigen huid te kruipen en zijn sinistere oogopslag altijd sterke gevoelens heeft opgeroepen: de slang. Van binnen naar buiten loop je langs de marionet van de brilcobra (India), het houten paneel van de adder (Congo), de prachtig verfijnde slangenstaf-met-ossenkop uit negentiende-eeuws Iran, en tot slot de slang op het Drieluik met zondeval van Pieter Coecke van Aelst (1502-1556).

Eeuwig leven

Men blijkt met de slang alle kanten op te kunnen. Azië, bijvoorbeeld, kent goede en slechte slangen; de zevenkoppige slang Muchalinda die Boeddha liet schuilen tijdens een onweer, symbool van vruchtbaarheid en wijsheid. En Kaliya, de zwarte slang, die met zijn gif het drinkwater vervuilde. In de Koran vertegenwoordigt de slang het lagere in de mens, maar in Arabische culturen geldt hij ook wel als symbool van eeuwig leven – het Arabische woord voor adder, Hayya, lijkt op dat voor leven, hayaat. Alleen in het westen geldt de slang uitsluitend als bron van kwaad.

Daarmee stuit je op een andere grondtoon van de tentoonstelling: de groeiendecomplexiteit van samenlevingen gaat gepaard met het steviger trekken van grenzen. In zijn eigen ogen is de mens steeds meer van de natuur gaan verschillen. In primitieve culturen zag hij zich niet als kroon op de schepping, maar als deel van een kosmos waarin het goddelijke zich manifesteerde via de natuur. In de moderne wereld zijn de caesuren tussen Wereld/ Natuur/ Kunst compleet. God is, kort door de bocht, de mens zelf geworden die de natuur naar zijn hand zet, haar terugdringt tot in de verste hoeken van de aarde. De expositie zelf vormt er een bewijs van. Afgezonderd in een godshuis dat dienstdoet als expositieruimte, middenin een stenen stad, stellen kunstenaars vanuit de marge de vraag of dat nu wel zo verstandig is.

Over de oorsprong van deze `despotische' tweedeling in de westerse houding jegens de natuur bestaat nog altijd geen eensgezindheid. Dat schrijft professor Matthijs Schouten, hoogleraar Natuur- en Landschapsbescherming, in de inleiding van Spiegel van de natuur, het boekwerk over de wereldwijde geschiedenis van natuurvisies waarop de tentoonstelling gebaseerd is. Sommigen wijzen naar de oude Grieken, anderen naar de joodschristelijke traditie, en weer anderen naar de Verlichting die de natuur als het ware degradeerde tot onderzoeksterrein. Van de weeromstuit vierde de Romantiek het sublieme, onkenbare en onaanraakbare van de natuur; de natuur als Ander. Sindsdien wedijveren in het westen het cultiverings- en het wildernisideaal met elkaar, om in de laatste helft van de twintigste eeuw op cynische wijze met elkaar te versmelten: vandaag de dag creëert de mensheid haar eigen wildernissen. Vooral natuurlijk in Nederland, waar we uitgezette, `wilde' runderen heel authentiek laten sterven.

Aan het begin van de eenentwintigste eeuw bestaan veel opvattingen naast en door elkaar, zelfs de `primitieve' visie van ondeelbaarheid is in zijn New Age-jasje van holisme nog springlevend. Veel denken over de natuur is in het teken komen te staan van natuurbescherming. Tegenover het holistische `ecotopia' staat volgens Schouten het armageddon, dat meer neo-darwinistisch ingestelden zien opdoemen. De mens als dominante soort, die uiteindelijk alle andere soorten weg zal vagen.

Schouten zelf doet geen uitspraak over dit toekomstscenario. Hij wil in zijn boek niet anders dan de verschillende visies beschrijven, die, in hun eigen evolutionair proces, ontstaan en verdwijnen. Aan kunstenaars is die neutraliteit niet besteed. Bij hen is, sinds in de jaren zeventig milieuvervuiling een opvallend verschijnsel werd, het armageddon nooit veraf. Hun werk verwijst naar dat van hun collega's uit de kunstgeschiedenis, maar in plaats van over natuur gaat het over het verdwijnen van natuur, dat als onafwendbaar of zelfs voltooid wordt voorgesteld. Voor woede of verontwaardinging daarover is kennelijk geen plaats meer.

In verfijnd ingekleurde fotoseries die doen denken aan Chinese pentekeningen, laat Han Lei bijvoorbeeld de razendsnelle veranderingen in het Chinese landschap zien; bruggen, wegen, oprukkende steden. De geprinte foto's van Sonja Braas lijken de sublieme landschappen van Caspar David Friedrich te echoën; natuur als een opera. Ze zijn genomen in diorama's.

Achter een pilaar in de kooromgang ligt heel terloops een Misfit opgesteld van de Oostenrijkse kunstenaar Thomas Grünfeld. Opeens sta je oog in oog met een opgezette Sint Bernard, die je niet aankijkt met hondenogen van donker fluweel, maar met de glazen blik van een schaap. Op het opgezette hondelijf is een schapenkop gezet. Grünfeld weet zo hele hoofdstukken uit de natuurlijke historie te vangen: hoe men in de achttiende eeuw met botanische collecties de natuur probeerde te doorgronden, haar in de negentiende eeuw ter lering en de vermaak uitstalde in diorama's, en hoe we in de eenentwintigste eeuw al klonend bezig zijn de natuur onherstelbaar te verbeteren. In de Nieuwe Kerk is het Sintbernardschaap de cynische tegenhanger van alle fabeldieren uit de primitieve cirkel van de tentoonstelling; de vis-olifant uit Indonesie, de antiloop-mens uit Congo – goddelijke dieren die dienden om het onbevattelijke van de natuur te vieren.

Mottig hondenbeest

Erg treurig word je ook van Joseph Beuys' I like America and America likes me, waarin de kunstenaar de vraag stelt wat natuur nog is in zijn land. Het hokje van het scherm laat een mottig hondenbeest in een kooi zien, dat neurotisch zijn tanden zet in de bundel grijze kleren waarin de kunstenaar verscholen zit. De loop en de afwezigheid van geluid versterken de indruk van neurose bij het dier. Wildheid opgesloten in een kooi, in een galerie, als statement in een videoscherm. Het Herculeaanse gevecht tussen mens en dier, afgebeeld vanaf de eerste grotschilderingen, vindt hier zijn tegenhanger in een grijze video.

Gelatenheid en weemoed ook op een veel kleinere natuurtentoonstelling in Haarlem. Een groep plaatselijke kunstenaars die zich Het Kabeljauwgenootschap noemt, heeft in de Vishal een tentoonstelling ingericht over dit beest, waarvan bij ongewijzigd beleid tegen 2020 het laatste exemplaar zal worden opgegeten. De kunstenaars, zo lijkt het, zijn hier maar alvast op vooruitgelopen. De Vishal herbergt een expositie over in karton verpakte diepgevroren visvierkantjes, over het verleden van een industrie. Nauwelijks een afbeelding van een levende vis te bekennen. Alleen Robbert Hohmann koos voor een manshoog statieportret van de kabeljauw in schrille kleuren. Trots kijken de vissenogen je aan.

In het hoofdstuk over de Islam in Spiegel van de Natuur haalt Schouten een 10e eeuwse parabel aan uit Irak. In de Verhandelingen van de Broeders van de Zuiverheid, een filosofisch religieus genootschap in Basra, komt het verhaal voor van de dieren die een rechtszaak tegen de mens aanspannen bij de koning van de djinn. De dieren – vooral de lastdieren roeren zich – beklagen zich over de mens die hen als slaven behandelt en die lijkt te denken dat dieren alleen bestaan om hem te dienen. Ze eisen dat de mens verklaart waaraan hij het recht ontleent hen te onderdrukken.

In het werk van de kunstenaars in Haarlem en Amsterdam zoek je vergeefs naar woede, naar enige vorm van hartstocht. Kunstenaars zijn tegenwoordig net academici. Ze willen in Amsterdam `vraagtekens zetten bij', `aanzetten tot nadenken'. Ze willen, in Haarlem de bezoeker met woordspelingen (in cod [kabeljauw] we trust) tot een meewarige glimlach aanzetten, of – met een reusachtig, uit kleingesneden foto's van kabeljauwen opgebouwd vissenoog – tot een `verse blik' op de vis bewegen.

Het meest ontnuchterend werkt nog de alles verpletterende ironie van het kunstenaarsduo Rob van Betuw en Riette Wanders, die in Haarlem een zwartwit `kabeljauwbehang' ontwierpen onder het motto: Een uitstervende diersoort verdient een plekje aan de wand. ,,Ter bestudering van ons onderwerp'', schrijven ze erbij, ,,hebben we een kabeljauw in zijn geheel aangeschaft. Het uiterlijk van dit dier vonden wij dusdanig teleurstellend dat we dit niet onbenoemd willen laten, want goedbeschouwd is de kabeljauw een onooglijk en saai waterdier waar we weinig mee kunnen behalve opeten. Dat de hele kwestie feitelijk gaat over het niet terug kunnen draaien van een industrieel proces, vraagt in onze ogen om een decadente reactie.''

Ludieke begrafenis

Ironie of niet, het is op dit punt dat Matthijs Schoutens evolutionair proces van natuurvisies eindigt. De natuur als decoratie, als opsmuk. Erg? Ach ja, maar ook zo onafwendbaar dat we volstaan met een decadente reactie. De kabeljauw sterft uit, de kunst zorgt voor een ludieke begrafenis.

De tentoonstelling in de Nieuwe Kerk laat zien hoe tijd- en cultuurgebonden de menselijke visie op de natuur altijd is geweest. Ook het werk van hedendaagse kunstenaars kan nu eenmaal niet ontsnappen aan de wereld waaruit het voortkomt. Een wereld die op natuur weinig acht slaat, tenzij ze op zondag in het bos wil picknicken. Een wereld waarin niemand echt wil dat de kabeljauw verdwijnt, dat eenden oliezwart zijn, of dat koeien in het afval grazen. Maar waarin tegelijk iedereen met lege handen lijkt te staan als het gaat om de vraag of daar iets tegen te doen valt.

Je kunt je afvragen wat oorzaak is en wat gevolg. Maar hoe je het wendt of keert, behalve de evolutie van natuurvisies weerspiegelt dat wiel met zijn vijftien assen wel degelijk de voortschrijdende dominantie van de menselijke soort, ten koste van alle andere.

Daarom van tweeën één. Of het rad moet uitgebreid worden met een zestiende as, de ontbrekende schakel van het armageddon. Óf ze moeten dat wiel in De Nieuwe Kerk veranderen in een neerwaartse spiraal.

WereldNatuurKunst. T/m 23/10 in De Nieuwe Kerk, Dam, Amsterdam. Inl: www.nieuwekerk.nl. Catalogus `Spiegel van de natuur. Het natuurbeeld in cultuurhistorisch perspectief' door Matthijs Schouten, KNNV Uitgeverij ism Staasbosbeheer, €29,95 (t/m 2/9, daarna €37,95).

Het Kabeljauwgenootschap, Ode aan de Kabeljauw. T/m 7/8 in de Vishal te Haarlem. Inl: www.devishal.nl

In eigen ogen

is de mens steeds meer

van de natuur gaan verschillen

De kabeljauw sterft uit,

de kunst zorgt voor een ludieke begrafenis

    • Maartje Somers