Grote sprong neerwaarts

Onder Mao werd China een communistische staat, moest het een wereldmacht worden, en stierven naar schatting dertig miljoen Chinezen de hongerdood. Een nieuwe biografie laat geen spaan heel van de grote leider.

Maar het systeem ontspringt de dans.

Een Chinese vriend bij het Vietnam-monument in Washington vroeg een paar jaar terug benieuwd aan de bebaarde veteraan die er de wacht hield hoeveel Amerikanen er nou precies waren omgekomen in Vietnam. ,,Ruim 58.000'', zei de veteraan, die had verwacht dat mijn vriend wel onder de indruk zou zijn van dat hoge aantal. Die schrok inderdaad, maar om een andere reden. ,,Zó weinig, en dan zo'n prominent monument? In China zijn er tijdens de Koreaanse oorlog zeker drie keer zo veel Chinezen omgekomen, maar ik zou niet weten waar die worden herdacht'', aldus mijn vriend.

China kampt met een vrijwel volledig onverwerkt modern verleden. De recente Chinese historie en de rol van de grote leider Mao daarin, vormen nauwelijks een onderwerp van gesprek, laat staan van discussie. Veel ouders vertellen hun kinderen niets over wat ze zelf tijdens de Culturele Revolutie (1966-1976) of tijdens de hongersnood van 1958-1961 hebben doorgemaakt, een hongersnood waarbij volgens de meest betrouwbare schattingen zeker dertig miljoen mensen zijn omgekomen. Een 55-jarige man zei me dat hij bewust niet met zijn dochter over het verleden praat, omdat hij haar niet wil belasten met een negatieve houding ten opzichte van een systeem ,,dat toch niet te veranderen is.''

Behalve binnen een kleine kring van Chinese historici, die goed op de hoogte is van Mao's wandaden maar daar moeilijk over kan publiceren, is Mao voor veel boeren en gewone arbeiders nog eerder een god dan een moderne held. Zij vereren hem omdat hij zo lang zo buitengewoon veel macht heeft gehad. Hij móet daarom wel over bijzondere krachten hebben beschikt, zo is de redenering, en het kan daarom geen kwaad om zijn portret ter bescherming in je huis of naast het achteruitkijkspiegetje in je auto te hangen. Mao heeft daarmee eerder een magisch-religieuze dan een ideologische betekenis gekregen.

Voor de communistische partij (de CCP) ligt dat anders. Mao is volgens China's huidige leiders nog steeds ongeveer zeventig procent goed en dertig procent fout, waarbij zijn `slechtheid' vooral tot uiting kwam tijdens de Culturele Revolutie. `Goed' was hij daarentegen als boerenleider, als partij-ideoloog, als briljant strateeg, als dichter, als nationalist en vooral als de man die het `nieuwe China' van na 1949 mogelijk heeft gemaakt. Hij is de vader van het officieel nog steeds superieure communistische systeem.

Daarmee is voor de CCP de kous af. De bevolking moet de dogma's over Mao uit het hoofd leren, maar verdere discussie over Mao en het verleden wordt niet op prijs gesteld; dat zou namelijk kunnen leiden tot twijfel over de legitimiteit van het huidige bewind. Daardoor is het voor Chinezen vrijwel onmogelijk om ook maar te beginnen met de verwerking van de trauma's die het onstuimige en geweldadige recente verleden ongetwijfeld heeft opgeleverd.

De in China geboren maar in Engeland woonachtige schrijfster Jung Chang heeft nu, met haar echtgenoot Jon Halliday, Mao, Het onbekende verhaal gepubliceerd, een vuistdikke biografie waaruit Mao als honderd procent fout naar voren komt. Chang en Halliday stellen Mao persoonlijk verantwoordelijk voor het bijna niet te bevatten aantal van ruim zeventig miljoen doden die er, volgens hun schattingen, in vredestijd onder zijn bewind zijn gevallen.

Volgens Chang, schrijfster van de familiegeschiedenis Wilde Zwanen waarvan wereldwijd twaalf miljoen exemplaren zijn verkocht, is de biografie ,,het ware verhaal over het moderne China'', zo verklaarde ze in de Britse krant The Guardian. Ze heeft er een bedoeling mee die verder reikt dan het schrijven van een `neutraal' historisch werk. ,,Ik denk dat dit boek de wereld zal schokken en China zal veranderen''.

Of dat bewaarheid wordt, moet blijken, net zoals het zeer de vraag is, of dit hét definitieve boek is over Mao's China. Chang en Halliday baseren zich in elk geval op een schat aan nieuw materiaal. Over een periode van elf jaar hielden ze vraaggesprekken met honderden mensen over de hele wereld, van Mao's dochter en de vrouw van de voormalige Albanese president Enver Hoxha tot de vrouw die ooit Mao's ondergoed waste. Ze maken daarnaast optimaal gebruik van vooral Russisch archiefmateriaal, dat veelal pas recent beschikbaar is gekomen en dat Halliday (die Russisch leest) in de originelen kon raadplegen. Ondanks die documentaire rijkdom leest het boek eerder als een politieke thriller dan als een naslagwerk, en dat sluit aan bij de bedoeling van de auteurs om het boek een zo breed mogelijk lezerspubliek te geven.

Wat hebben zij te melden? Op basis van het nieuwe materiaal tonen Chang en Halliday allereerst overtuigend aan dat het ontstaan en de bloei van de Chinese communistische partij (CCP) vooral een door de Russen gestuurd proces was. De Sovjets leverden financiën, militaire strategieën, adviseurs en wapens,en uiteindelijk bepaalde Stalin persoonlijk de koers van de CCP. Mao had dat goed door, en zijn machtspositie stoelde vooral op de geniale manier waarop hij niet zozeer de Chinese communisten, maar vooral de Russen wist te overtuigen van zijn onmisbaarheid. Saillant detail is dat de communisten hun financiën in 1941, toen Duitsland Rusland binnenviel en Stalin misschien minder zou kunnen betalen, aanvulden met de opiumteelt.

Voor Mao ging persoonlijke macht ook boven het nationaal belang, zo melden de auteurs. Daarom leidde het niet-aanvalsverdrag tussen Stalin en Hitler, waarbij zij Polen alvast verdeelden, in 1939 tot grote verontwaardiging en onrust onder de Chinese communisten: zou zoiets ook met China gaan gebeuren? Ze waren bang dat Stalin nu ook een niet-aanvalsverdrag met Japan zou tekenen, om China vervolgens op te delen. Maar voor Mao was dat juist een droomscenario. Hij hoopte aan het hoofd te komen staan van het Russische deel van China, en zou daarmee zijn persoonlijke macht nog vergroten.

Ook de heroïek van de Lange Mars, de kernmythe van de Chinese communisten, wordt grondig onderuit gehaald. Mao's Rode Leger, dat moest vluchten voor de Chinese Nationalisten, trok in 1934-1935 te voet van de Zuid-Chinese provincie Jiangxi naar het noordelijke Yan'an in de provincie Shaanxi, om daar opnieuw een communistische basis te stichten. Die Lange Mars heeft een onuitwisbare indruk gemaakt, ook in het buitenland, als symbool van het ongekende doorzettingsvermogen en het sublieme strategische inzicht van de communisten. Ze waren de achtervolgende nationalisten te slim af door te voet bijna tienduizend kilometer af te leggen door onherbergzaam terrein.

Volgens deze auteurs ligt het allemaal anders. Mao zelf legde om te beginnen nauwelijks een stap te voet af: hij werd, net als een aantal andere leiders, het grootste deel van de tocht in een draagstoel vervoerd: ,,Tientallen jaren later vertelde Mao zijn staf: `Tijdens de mars lag ik op een draagbed. Dus wat deed ik? Ik las. Ik las een heleboel.'' Voor de dragers was het minder gemakkelijk. Deelnemers aan de mars herinnerden zich: ,,Als ze in de bergen moesten klimmen, konden de dragers van de bedden zich soms alleen maar op hun knieën voortbewegen en waren de huid en het vlees op hun knieën rauw geschaafd nog voordat ze de top hadden bereikt. Elke beklommen berg droeg een spoor van hun zweet en bloed.''

Even dodelijk is de constatering dat Mao de Amerikaanse journalist Edgar Snow in 1936 enthousiast een volledig uit de duim gezogen verhaal op de mouw heeft gespeld. Snow, die een cruciale rol speelde in de positieve beeldvorming over Mao in het Westen, noemt de fantasie van Mao in zijn boek Red Star over China, vervolgens `het meest hachelijke incident tijdens de hele Lange Mars.' Het gaat om de `spectaculaire' oversteek van een hangbrug over de kolkende rivier de Dadu, waarbij de communisten hevige gevechten zouden hebben geleverd met de Nationalistische troepen van Chiang Kaishek, die de brug in brand zouden hebben gestoken. Snow omschrijft dat aldus: `Er werd paraffine over de planken gegoten, waarna deze begonnen te branden. Op dat moment bewogen ongeveer twintig Roden zich op handen en knieën voorwaarts en gooiden de ene granaat na de andere in het vijandelijke machinegeweernest.' Chang en Halliday hebben in 1997 een 93-jarige vrouw weten op te sporen die ontkent dat de brug ooit in brand heeft gestaan, of dat er hevig is gevochten bij de oversteek. De verklaring van de vrouw (overigens niet het enige bewijs tegen het verhaal van de hevige strijd bij de brug), geeft aan hoe grondig en uitgebreid de auteurs Mao's verleden hebben nagepluisd.

De meest pijnlijke bewering over de Lange Mars is evenwel dat Chiang Kaishek het Rode Leger waarschijnlijk veel minder actief heeft bestreden dan eerder werd aangenomen. Chiangs enige zoon zat op dat moment in Moskou, en de auteurs suggereren dat het mede zijn angst was dat Stalin zijn zoon iets zou aandoen die Chiang ervan weerhield om het Rode Leger al te veel te hinderen. Ook strategische overwegingen in zijn machtsstrijd met lokale krijgsheren in de provincies waar de communisten heentrokken, zouden een rol hebben gespeeld in Chiangs beslissing Mao voorlopig te laten ontsnappen. Als de communisten daar eerst de orde verstoorden, had Chiang een argument in te grijpen.

Veel van Mao's gedrag wanneer hij in 1949 eenmaal aan de macht is gekomen, wordt door de auteurs verklaard uit een verlangen om met Russische hulp een atoomwapen en andere militaire technologie te bemachtigen, om daarmee uiteindelijk `de wereldheerschappij' te kunnen vestigen. Dat zou ook de reden zijn geweest waarom Mao de Noord-Koreaanse leider Kim Il-Sung zo graag wilde steunen in diens verlangen om Zuid-Korea te `bevrijden'. Stalin geloofde aanvankelijk niet in zo'n oorlog, maar Mao bood aan een eindeloze zee aan troepen in de strijd te storten (vooral ex-nationalistische strijders die hij liever kwijt dan rijk was) om daarmee de Amerikanen vast te pinnen en zoveel mogelijk schade toe te brengen. Zo wilde hij Stalin ertoe overhalen om meer militaire technologie aan China te leveren, iets waarvoor Stalin overigens huiverig bleef.

Dan volgt de grote hongersnood van 1958-1961. Volgens Chang en Halliday was die het gevolg van Mao's wens om China niet alleen zo snel mogelijk tot een wereldmacht te maken, maar om de hele wereld te domineren `Op 19 augustus (1958, GvP) vertelde Mao een select gezelschap provinciale leiders: ,,In de toekomst zullen we het Aarde Controlecomité oprichten en een uniform plan voor de hele aarde opstellen.''' Voor die wereldheerschappij was Mao bereid grote delen van zijn bevolking te laten verhongeren. De uitspraken die hij aan het begin van de Grote Sprong Voorwaarts in 1958 doet, als het grote sterven al is begonnen, zijn zo absurd dat ze aan de geestelijke gezondheid van Mao doen twijfelen. Mao zegt dingen als: ,,Doden leveren een voordeel op [...] Ze kunnen de grond vruchtbaar maken.'' (In het Engels staat er overigens net iets pregnanter: ,,Ze kunnen de grond bemesten'') En over de taoïstische filosoof Zhuangzi zei hij: ,,[Hij] had gelijk gehad er zijn gemak van te nemen en te zingen toen zijn vrouw was overleden. Er zou feest moeten worden gevierd als er mensen sterven [...] We geloven in dialectiek, en dus kunnen we niet tegen de dood zijn.'' Aldus Mao in 1958.

Tijdens de grootste hongersnood van de twintigste eeuw, werden er vervolgens uit China nog steeds graan en andere voedingsmiddelen geëxporteerd. `Gedurende de twee kritieke jaren 1958 en 1959 zou alleen al de graanexport, bijna zeven miljoen ton, voor meer dan achtendertig miljoen mensen het equivalent van ruim 840 calorieën per dag hebben opgeleverd – het verschil tussen leven en dood', rekenen de auteurs voor. `En dan hebben we het alleen nog maar over graan; niet meegerekend zijn vlees, spijsolie, eieren en andere voedingsmiddelen, die in zeer grote hoeveelheden werden uitgevoerd. Was al dit voedsel niet uitgevoerd (en volgens humane criteria verdeeld) dan zou er waarschijnlijk niemand in China van de honger hebben hoeven sterven.'

De grote Chinese hongersnood is eerder uitgebreid behandeld, onder meer in Hungry Ghosts van de journalist Jasper Becker uit 1996. Hij noemt een aantal van zeker dertig miljoen doden. Vergeleken bij dat van Chang en Halliday, is Beckers oordeel over Mao relatief mild: Mao's wanbeleid kwam volgens hem voort uit een krankzinnige ideologische gedrevenheid, maar hij was geen kwade tiran die zijn bevolking moedwillig de dood in joeg om geen andere reden dan de versterking van zijn eigen machtspositie. De sinoloog Jonathan Spence geeft in zijn Mao-biografie Mao Zedong (1999) een beeld van Mao als een leider die alle contact met de werkelijkheid is verloren, en die `het steeds minder lijkt te kunnen schelen wat de gevolgen zijn waartoe zijn eigen grillige uitlatingen kunnen leiden'.

Mao zelf bagatelliseerde de honger, blijkt uit een citaat in het boek van Becker. ,,Onevenwichtigheden en marktproblemen hebben iedereen gespannen gemaakt, maar die spanning is niet gerechtvaardigd, hoewel ik zelf ook gespannen ben. Het zou niet eerlijk zijn om te zeggen dat ik niet gespannen was. Als ik gespannen ben voor het slapen, dan neem ik wat slaappillen en dan voel ik me beter. Jullie (onduidelijk is tot wie hij zich richtte, red.) moeten ook eens wat slaappillen nemen als jullie je gespannen voelen.'' Toch, hoe absurd dat ook klinkt in een land waar massale hongersnood heerst, hier zien we ook een `menselijke' kant van Mao die in het boek van Chang en Halliday volledig ontbreekt.

Bij hen lijkt Mao niet alleen de belangrijkste, maar zelfs de enige schuldige aan alle ellende. Niet het communisme als falende ideologie of politiek systeem, maar de wrede en machtswellustige persoonlijkheid van deze man is volgens Chang en Halliday de oorzaak van de lange aaneenschakeling van rampen en ellende die onder zijn bewind hebben plaatsgehad. `Mao geloofde nergens in, tenzij hij er persoonlijk beter van kon worden', schrijven ze. `Het kon Mao niet schelen wat hij achterliet. Hij betoogde dat zijn geweten naar de hel kon lopen als het tegenover zijn aandriften kwam te staan.' Verder weten ze: `Noch de ineenstorting van de communistische staat noch de scheiding van zijn zoon deed Mao zo veel pijn als het verlies van zijn persoonlijke macht'. En als laatste zin van het laatste hoofdstuk schrijven ze: `Zijn geest bleef tot het laatste moment helder en hij werd door maar één gedachte beziggehouden: die aan hemzelf en zijn macht.'

Dit soort uitspraken moet de lezer kennelijk doordringen van Mao's egoïsme en machtswellust, maar dat gebeurt niet altijd overtuigend. Neem de conclusie die de auteurs trekken uit Mao's woorden aan het doodsbed van zijn moeder: ,,Toen mijn moeder stervende was, heb ik haar gezegd dat ik het niet kon verdragen haar pijn te zien lijden. Ik wilde een mooi beeld van haar bewaren en zei dat ik een tijdje weg wilde gaan. Mijn moeder was heel begrijpend, en ze vond het goed. Het beeld dat ik van mijn moeder in me meedraag, is dus altijd het beeld van een gezonde en mooie vrouw geweest en is dat nog steeds.'' De auteurs voeren dit aan als een treffend voorbeeld van Mao's wreedheid. Ze geven het volgende commentaar: `Toen ze op haar sterfbed lag, was degene aan wie Mao het meest dacht hijzelf en niet zijn moeder, en hij aarzelde ook niet dit te zeggen.' Maar dat is maar één, kwaadwillende, interpretatie.

Chang en Halliday, die geen enkel voorbeeld aandragen dat Mao ook maar één keer uit andere motieven dan eigenbelang heeft gehandeld, zouden graag zien dat hun boek een rol speelt in het postuum onttronen van de grote leider. `Ook nu domineren Mao's portret en zijn lijk nog het Tiananmenplein in de hoofdstad van China. Het huidige communistische regime noemt zichzelf nog steeds Mao's erfgenaam en continueert op agressieve wijze de mythe van Mao', zo besluit het boek. Maar wat dit boek niet duidelijk maakt, is waar die machtswellust, gevoelloosheid en wreedheid van Mao nu uit voortkwamen, en hoe ze in het China van de jaren dertig tot bloei kwamen. Was Mao domweg een gevoelloze psychopaat? Of werd hij gevormd door het communisme, een totalitair systeem dat net als het fascisme de kans biedt aan monsters als Stalin, Hitler,Mao, Pol Pot en Kim Il-Sung om als despoten te heersen? In Mao wordt slechts sporadisch verwezen naar de totalitaire ideologie van het communisme als oorzaak van Mao's wandaden. Zo schrijven ze over de Koreaanse oorlog kortweg: `Hoewel het Amerikaanse dodencijfer maar een klein percentage van het Chinese was, kon het democratische Amerika niet met het totalitaire China concurreren als het om lijkenzakken ging.'

In China is hun boek inmiddels verboden, en ook een aantal tijdschriften met Engelstalige recensies mochten het land niet binnen. De BBC heeft Jung Chang geïnterviewd voor het programma Talk Asia, maar bij de aankondigingen van die uitzending ging het beeld al op zwart. Toch hoor je in China ook dat de overheid het boek weliswaar verwerpt, omdat het geen spaan heel laat van de mythe rond Mao, maar dat men aan de andere kant opgelucht ademhaalt. Niet het communistische systeem als zodanig wordt in diskrediet gebracht, maar alleen de persoon van Mao. Het boek verdeelt de communistische leiders zelfs in `goeden' en `slechten', en dat moet voor de huidige leiding een geruststellend idee zijn; `goed' en `communistisch' zijn bij Chang en Halliday blijkbaar geen botsende begrippen. Mao's opvolger Deng Xiaoping is vooral `goed'. Hij wordt niet genoemd in het hoofdstuk dat Mao's zuiveringsactie tegen intellectuelen en kunstenaars in 1957 behandelt. Dat is vreemd, want Deng speelde daarbij als secretaris-generaal van de CCP een cruciale rol.

Met die personalistische benadering sluit Mao aan bij een oud Chinees geloof dat het heil der natie veel eerder laat afhangen van het morele kaliber van de keizer dan van het staatsrechtelijke systeem. `Kwade daden van kwade heersers vormen de bron van wanorde', zo stelde De Chinese filosoof Mencius al ver vóór Christus. Maar omdat Chang en Halliday die structurele `waarom'-vraag niet stellen, heeft hun boek ondanks de uitgebreide documentatie toch een beperkte reikwijdte. De zee aan nieuwe bronnen die ze hebben blootgelegd, roept om nadere interpretatie door historici die met een ander oog kijken naar de `slechte' Mao en het systeem dat hij in China heeft helpen creëren. Op die manier kan het materiaal tot conclusies leiden over China's politieke systeem die veel verder strekken dan alleen de veroordeling van de man die voor de creatie ervan verantwoordelijk was.

Jung Chang en Jon Halliday: Mao, The unknown Story. Jonathan Cape, 810 blz. €36,90

Jung Chang en Jon Halliday: Mao, Het onbekende verhaal. Uit het Engels vertaald door Paul Syrier.

De Boekerij, 939 blz. €35,95

In deze recensie zijn de Chinese namen voor het gemak van de lezer net zo getranscribeerd als in de Nederlandse vertaling van het boek.

`Het rode boekje. Citaten uit het werk van Mao' is zojuist opnieuw verschenen. Vert. C. Schepel. Forum, 366 blz. €5,-

    • Garrie van Pinxteren