Een wolkje student

DELFT / NEURENBERG. Het bereiken van een zekere status vereist weinig meer dan stug doorgaan. Met die status, hoe armetierig ook, komen de verzoeken. Men waant zich gewild, op zijn minst nog niet vergeten. Uit ijdelheid, verveling of wegens de carrièreplanning, zegt men op sommige verzoeken ja en op andere beleefd nee.

Zo werd ik dit voorjaar gastschrijver aan de Technische Universiteit te Delft. Eerbiedwaardige mensen waren mij voorgegaan, veelal mannen op leeftijd. Mijn moeder die mijn bijzonder hoogleraarschap nog hoopt mee te maken kon tevreden zijn. Laat ik me niet achter haar verschuilen. Ik mag dwars door de versierselen kijken die de maatschappij aan haar trouwe onderdanen uitdeelt, ik speld ze al te graag op.

Nu had ik ervaring in het buitenland opgedaan als gastschrijver, in Londen in 1997 en Boedapest in 2004, ik wist dat men met charme een eind kwam. Bij gebrek aan beter gaat men al snel door voor erudiet.

Eenmaal in de buurt van de studenten komt men tot de ijdele conclusie dat men toch een taak heeft. De vensters moeten open, de feiten anders geïnterpreteerd.

Maar Delft is geen Boedapest.

Het geheel begon met een openbare lezing. Dat is nog overzichtelijk. Men leest voor van een papiertje. De confrontatie blijft uit.

Vooraf had ik in een ruimte die de senaatskamer heet, als ik me niet vergis, de handen van enkele professoren geschud. Met een lobby voor een bijzonder hoogleraarschap kun je niet vroeg genoeg beginnen.

Talent helpt een beetje, maar de juiste mensen die op het juiste moment een goed woordje voor je doen, dat heet organisatie. En op organisatie komt het aan, ook in het leven van de artiest.

Nu ik toch in Delft was neergestreken leek me dat een goede plek om mijn lobby te beginnen, hoewel ik van een bekende had gehoord dat hij bereid was voor me te pleiten in Leuven. Ik zal eerlijk zijn: Leuven klonk me ook niet slecht in de oren.

Geleidelijk aan had ik geconcludeerd dat de discrete charmes van de academische wereld die van de literaire overtroffen, waar men vandaag de dag tevergeefs zoekt naar zelfs maar de schijn van aristocratisch denken.

Toen Julien Sorel hogerop wilde was er het leger of de kerk, de hedendaagse Sorel heeft andere keuzemogelijkheden. Ach, men moet van de ambitie geen moordkuil maken.

Er was natuurlijk nog Tilburg, maar alleen al de klank van die naam schrikte mij af.

Volgens de papieren die ik had gekregen van de stichting die mijn gastschrijverschap organiseerde volgde op de openingslezing weldra het eerste werkcollege. Ik wil niet zeggen dat ik het met angst en beven tegemoet zag, maar helemaal gerust was ik er niet op.

Je weet nooit wanneer je een misstap zet.

Er waren twee werkcolleges want het aantal aanmeldingen was hoog. De studenten pasten niet in één groep. Mijn ijdelheid was gestreeld, wie wil niet tijdelijk in de waan verkeren charismatisch te zijn?

Een vertegenwoordiger van de stichting en van de universiteit zouden bij de werkcolleges aanwezig zijn, waarschijnlijk om het niveau in de gaten te houden.

In de auto op weg naar Delft besefte ik dat ik me 34 jaar lang door het leven had geslagen met het stellen van vragen. Zelf vertelde ik weinig, bij voorkeur niets. Als ik iets te vertellen had schreef ik het op, daarbuiten was het stotteren geblazen.

Ik registreerde. De hedendaagse medemens is verbaasd als je onthoudt wat hij heeft gezegd. De kunst is te blijven vragen, opdat het niet tot hem doordringt dat jij zwijgt.

Deze methode heet de socratische methode en het leek me dat ik die moest toepassen in Delft. Veel alternatieven waren er niet.

Dus zat ik in een lokaal, uitzicht op een straat met bomen, een kop koffie binnen handbereik en tegenover mij een twintigtal studenten. Veelal mannen, of jongens.

De tafels waren gerangschikt in de vorm van een hoefijzer. Er was een absentielijst die men diende te tekenen. Het mocht dan facultatief zijn, vrijblijvend was iets anders.

Op sommige gezichten was scepsis zichtbaar, anderen keken neutraal voor zich uit, hier en daar ontwaarde ik een glimlachje.

Recht voor mij hing een klok. Twee uur lang zou dit werkcollege duren. Daarna zou de volgende groep komen.

Een paar dagen daarvoor was ik in Tilburg geweest en een professor had me verteld over Sartre die zich had omringd met een wolkje student toen hij bekendmaakte de Nobelprijs, een bourgeoisprijs, te weigeren. Vergeet Sartre. Dat wolkje student had indruk op me gemaakt.

Straks was ik zestig. Of was ik nog steeds boos op de wereld en zou dan zijn bezweken aan een infarct of zijn uitgeweken naar Madagascar, of niet en dan was het misschien wel gedaan met ieder jaar een roman. Dan moest ik iets anders verzinnen. Geld was het probleem niet, ik kon me nog altijd verhuren aan de tv. Maar de eenzaamheid diende vermeden te worden en daarbij was een wolkje student onmisbaar.

De oudere schrijver met stok en zijn wolkje student, vier of vijf dat was voldoende voor een wolkje. De een kon koken, de ander kon rijden, een derde zou wassen en strijken, een vierde was er voor de conversatie en een vijfde zou me kleine kusjes geven voor het slapengaan. Zo zag ik dat voor me.

Het was acht over vier en weldra zou ik het woord moeten nemen. Ik dacht, ik zal ze vragen wat ze van mij en deze bijeenkomsten verwachten. Iemand zal een aanknopingspunt bieden. Iemand zal mij verklappen wat we hier eigenlijk doen.

Van Sorel had ik geleerd dat je vertrouwen moest hebben, al was het vertrouwen op de guillotine en je welverdiende straf.

Het wonder geschiedde. Ik hoefde geen interesse te veinzen. Ik hoef bijna nooit interesse te veinzen. Men wil weten: hoe doen andere mensen dat, leven? Hoe gaat het in zijn werk?

En terwijl ik naar de antwoorden luisterde herinnerde ik me dat ik had bedacht dat we naar Neurenberg zouden gaan en dat we machines zouden bouwen die konden lijden. Niet de macht hiervan trok me aan, hoewel misschien ook die, maar de transformatie van fantasie naar werkelijkheid. Het oproepen van de emotie die tientallen, honderden, duizenden mensen tegelijkertijd zouden voelen. De artiest verhoudt zich per definitie niet tot het individu maar tot de massa, of hij het wil of niet, hij is een leider.

Ik kwam nader tot de wolkjes en zij tot mij.

Er was één student, hij was al wat ouder, die weinig zei en als hij al sprak was het vrijwel onverstaanbaar. Hij was wat vroeger een assistent in opleiding heette, ik geloof dat hij aan het promoveren was, maar desondanks of misschien dankzij dat promoveren beweerde hij een hekel te hebben aan techniek.

Wat ik uit zijn gemompel opmaakte was dat zijn brein functioneerde, maar op een eigenaardige manier.

Niet alle studenten gingen mee op de excursie naar Neurenberg, hij wel.

Als bagage had hij niet meer bij zich dan een plastic tasje van de TU, waarin met een beetje goede wil drie paar sokken en een nagelschaartje pasten.

Het was koud voor de tijd van het jaar in Neurenberg, het regende, en hij schuifelde door Neurenberg, met dat plastic tasje. Ietwat afgezonderd van de groep, maar ook weer niet te erg.

Hij droeg een trainingsjack met een capuchon en zo af en toe ging die capuchon op. Vloeiend Frans sprak hij ook en verder was hij vegetariër, wat niet erg handig was omdat we gingen eten in het grootste braadworstenrestaurant van Europa.

Misschien wordt hij een brave huisvader of tuinman of wetenschapper. Maar het zou me ook niet erg verbazen als hij op een dag met een bom een winkelcentrum binnenwandelt. Omdat hij een hekel heeft aan techniek.

In zijn rechterhand een plastic tasje van de TU, met daarin wat sokken en een nagelschaartje.

    • Arnon Grunberg