Een schuin dak is beter

In de kunstwereld heersen hardnekkige misverstanden. Het Cultureel Supplement doet in de zomermaanden een poging om deze te ontkrachten. Deze week: het functionalisme in de architectuur.

Architectuur gaat over gebouwen en gebouwen vervullen `functies'. Dus duikt in beschouwingen over architectuur regelmatig het begrip `functionalisme' op. Met functionalisme wordt meestal bedoeld dat een gebouw zo is ontworpen dat het precies op de `functies' is toegesneden. Het is synoniem geworden met rationele architectuur waarbij esthetische overwegingen geen rol spelen. Maar hoe objectief het functionalisme zich ook voordoet, er bestaan minimaal tien misverstanden over.

`Form follows function'

De uitspraak `Form follows function', de strijdkreet van het functionalisme, is van de Amerikaanse architect Louis H. Sullivan. Hij kwam tot deze beroemdste oneliner uit de architectuur in zijn artikel The Tall Office Building Artistically Considered uit 1896. Hierin boog Sullivan zich over de wolkenkrabber, toen een nieuw gebouwtype. Volgens Sullivan moest de wolkenkrabber zijn vorm krijgen zoals bloemen en dieren in de natuur waren gevormd. Sullivans vergelijking van architectuur met natuur is een curieuze omkering van hoe het volgens darwinisten in de natuur gaat. In de natuur bestaan functies niet zonder vormen: iets heeft altijd een functie. De precieze vormen van bloemen en dieren zijn dan ook niet het gevolg van de functies die ze moeten vervullen, maar van het toevallige ontstaan van eigenschappen en vormen die in de strijd om het bestaan voordelig bleken te zijn. Wat Sullivan dan ook eigenlijk bedoelde was: `form follows purpose'.

`Form follows purpose'

Maar ook het idee dat het doel van een gebouw of een voorwerp één objectieve vorm dicteert, is een misverstand. Om een simpel voorbeeld te geven: voor het mes dat als belangrijkste doel `goed snijden' heeft, zijn in de loop van de eeuwen talloze vormen bedacht. Natuurlijk werkt het ene mes beter dan de andere, maar zelfs na eeuwen ontwerpen is er niet op evolutionaire wijze één bepaald gevormd mes ontstaan dat onbetwistbaar het beste is. Veel verschillende messen snijden even goed. Zo kunnen ook in de architectuur doelen op talloze verschillende manieren even goed worden bereikt.

`Less is more'

`Less is more', de op een na bekendste strijdkreet van het functionalisme, houdt in dat een minimale vorm de beste is. Maar vaak is dit helemaal niet het geval. Vele duizenden naoorlogse flats worden nu bijvoorbeeld overal in Nederland gesloopt, juist omdat ze zo minimaal en zuinig zijn gebouwd. Als ze door hun `more is less'-constructie niet nu al, na minder dan vijftig jaar, fysiek volledig zijn versleten, dan zijn ze wel door hun `less is more'-plattegronden zo moeilijk te veranderen, dat sloop en nieuwbouw goedkoper is dan verbouwing. Voor gebouwen geldt dan ook eerder `more is better': de Amsterdamse grachtenhuizen met hun ruime maten en degelijke constructies hebben de eeuwen gemakkelijk doorstaan.

Functionalistische gebouwen

zijn functioneel

Talloos zijn de voorbeelden van `functionalistische' gebouwen die niet werken. Het Bauhaus-gebouw in Dessau uit 1926, om maar eens een beroemd voorbeeld te noemen, is `de hel', aldus een medewerkster van het heropgerichte Bauhaus een paar jaar geleden in deze krant. Door het overvloedige gebruik van glas wordt het bij zonnig weer binnen in het door Walter Gropius ontworpen Bauhaus ondraaglijk heet en is het 's winters niet warm te krijgen. Aangezien veel functionalistische architecten een irrationele voorkeur voor glas hebben, heeft de twintigste-eeuwse architectuurgeschiedenis vele hellen opgeleverd.

Functionalistische

gebouwenzijn vanzelf mooi

`Alles wat goed functioneert ziet er goed uit', schreef de huidige rijksbouwmeester Mels Crouwel in zijn geloofsbelijdenis Vijf punten over architectuur uit 1990. Dit is onzin. Niet alleen zijn slecht functionerende gebouwen, zoals het Bauhaus in Dessau, soms prachtig, maar ook zijn goed functionerende gebouwen niet zelden oerlelijk. Zo zijn de grote schuren waar varkens in Nederland op fabriekmatige wijze worden gefokt, puur doelmatige bouwwerken waaraan niets te verbeteren valt. Maar behalve een die hard functionalist zal niemand deze bouwsels mooi vinde

Functionalisme begon

met het Bauhaus

Meestal wordt het functionalisme geassocieerd met het Nieuwe Bouwen en het Bauhaus uit de jaren twintig van de twintigste eeuw. Maar reeds de Romeinse architect Vitruvius noemde behalve venustas (schoonheid) ook utilitas (nuttigheid) en firmitas (stevigheid) als de bestanddelen van architectuur: een goed gebouw moest mooi zijn, het doel dienen waarvoor het werd gebouwd en niet instorten. Pas in de negentiende eeuw begonnen aanhangers van de neogotiek als de Engelsman August Welby Northmore Pugin de nadruk te leggen op nuttigheid: de constructie van een gebouw moest niet alleen rationeel zijn, maar ook onverhuld worden getoond, zoals de ribben van een gotisch gewelf van een middeleeuwse kerk. Nieuw was ook dat de neogotici hun voorliefde voor onverhulde constructies verbonden met moralisme: naakte gebouwen waren eerlijk en goed, beklede vals en slecht.

Een plat dak is goed,

een schuin dak slecht

Het is een van de vreemde tournures van de architectuurgeschiedenis dat het neogotische gedachtegoed werd overgenomen door de functionalisten. Bijna een eeuw geleden richtten zij hun moralistische pijlen vooral op het schuine dak. In Nederland schreven Nieuwe Bouwers toen in hun lijfblad De 8 + Opbouw felle pleidooien voor het platte dak. Dat zou functioneler dan een zadeldak. Toch lekt een plat dak veel vaker dan een schuin dak, zijn lekkages moeilijker te traceren en bezwijkt het eerder onder de last van water en sneeuw.

Desondanks hebben jonge Nederlandse architecten nog steeds moeite met het ontwerpen van een schuin dak, zoals de Belgische architect Jo Crepain onlangs in deze krant opmerkte. Hun problemen met het schuine dak zijn niet zozeer praktisch als wel moreel van aard.

Hitler had een hekel

aan functionalisme

Na de Tweede Wereldoorlog werd de morele superioriteit van het functionalisme versterkt, doordat de Duitse staatsman-architect Hitler een voorkeur had getoond voor zwaar classicisme. Hitler deed het functionalisme in de ban, aldus een hardnekkige mythe, en dus werd dit de `goede' stijl voor het naoorlogse Europa. In werkelijkheid heeft Hitler het functionalisme nooit verboden. Hij achtte het alleen niet geschikt voor monumentale overheidsgebouwen. Maar fabrieken, vliegvelden en benzinestations mochten wel functionalistisch zijn. En niet te vergeten concentratiekampen: Auschwitz is mede ontworpen door een ex-Bauhauser. Andere Bauhaus-leerlingen vonden emplooi op het bureau van Hitlers hofarchitect Albert Speer. Een van hen, Ernst Neufert, publiceerde nog tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn Bauentwurfslehre, de bijbel van het functionalisme die tot op de dag van vandaag keer op keer wordt herdrukt.

Functionalisme

is een methode, geen stijl

Neuferts Bauentwurfslehre omvat duizenden maten en voorschriften voor alle onderdelen waaruit een gebouw bestaat. Het boek is de belichaming van de opvatting dat functionalisme geen stijl is, maar een methode. Twintigste-eeuwse functionalisten geloofden dan ook dat hun benadering voorgoed een einde had gemaakt aan de vraag die zoveel negentiende-eeuwse architecten had gekweld: in welke stijl moeten wij bouwen? Toch ontkomen zelfs strenge functionalisten als Neufert niet aan stijl en mode. Hoewel hij altijd eigen Bauentwurfslehre toepaste, zijn de fabrieken die hij in de jaren vijftig in West-Duitsland bouwde anders dan die hij eerder voor de nazi's bouwde: ook Neuferts werk is aan de hand van een paar stijlkenmerken gemakkelijk te dateren.

Het functionalisme

is bijna dood

Behalve Mels Crouwel en Hubert-Jan Henket zijn er niet veel onversneden functionalisten meer in Nederland. Maar het functionalisme heeft een nieuwe gedaante aangenomen: datascapes. Hiermee bedoelen architecten als die van MVRDV en Ben van Berkel dat een vloed van al dan niet statistische gegevens de vorm van hun ontwerpen bepalen. Zo bepaalde een groot aantal gegevens over te verwachten passagiers en hun routes de gewelfde vormen van het spoorwegstation in aanbouw in Arnhem, beweert Van Berkel. Maar net als bij het mes zijn er vele vormen denkbaar die de toekomstige passagiersstromen in Arnhem efficiënt zouden kunnen opvangen. Welke worden gekozen, hangt af van de esthetische opvattingen van de architect.

Volgende week: Tien misverstanden over hedendaagse beeldende kunst.

Zie voor reacties op de eerste afleveringen: www.nrc.nl

    • Bernard Hulsman