Een lichaam van stalen latten

Toen Carel Weeber nu alweer acht jaar geleden in deze krant het Wilde Wonen lanceerde, riep dit twee soorten reacties op. Er waren mensen die verwachtten dat de uitgifte van vrije kavels waarop iedereen die dat wilde naar eigen inzicht zijn huis kon bouwen, zou leiden tot `Belgische toestanden'. Ook Nederland zou worden bedekt met protserige, kakelbonte, vrijstaande huizen. Anderen verwachtten dat de wild bouwende Nederlanders op safe zouden spelen en massaal zouden kiezen voor eendere catologushuizen. Het wilde Nederland zou juist braaf en saai worden.

Nu verschillende Nederlandse steden Wilde Wonen-wijkjes hebben gekregen, moet worden vastgesteld dat degenen die de Nederlandse braafheid vreesden, gelijk hebben gekregen. De meeste Wilde Woners kiezen, zoals in de Waterwijk in Nesselande in Rotterdam, voor catalogushuizen waar geen architect aan te pas komt. De catalogushuizenbouwers hebben hun huis samengesteld uit het beperkte aantal modellen die zulke catalogushuisbouwers bieden. Het resultaat is dat de Wilde-Wonen-wijken met hun veelal witte huizen met pannen puntdaken veel eenvormiger zijn dan welke Vinex-wijk dan ook.

Maar er zijn uitzonderingen. Een kleine minderheid van de particuliere opdrachtgevers wil wel een speciaal voor hen ontworpen huis van een architect. Zo lieten Tijs van Ruiten en Paula Colenbrander op een van de vrije kavels op het Rotterdamse schiereiland Katendrecht hun huis ontwerpen door Monolab architecten oftewel Jan Willem van Kuilenburg. Ze hadden een speciale wens: de keuken moest het centrum van hun huis worden.

Bij de vervulling van hun wens moesten de opdrachtgevers (en de architect) op rekening houden met een aantal regels en gegevens, want echt wild mag het wonen op Katendrecht niet worden van de gemeente Rotterdam. Er gelden allerlei eisen ten aanzien van hoogte, breedte, rooilijn en het te gebruiken materiaal van de te bouwen huizen. Het bijzondere van het Body House, zoals Monolab hun ontwerp heeft gedoopt, schuilt dan ook niet zozeer in het exterieur, al heeft het gebouwtje wel een iets uitstulpende, uit driehoekige vormen opgebouwde gevel, die de bewoners extra uitzicht op de Maas biedt. Het ongewone van het Body House is vooral het interieur. Hier is een metalen kooi die in een doosvormige staalconstructie is gehangen. Het complexe, uit een ogenschijnlijke wirwar van stalen latten opgebouwde `lichaam' herbergt de keuken. De vele zijden van de kooi zijn afwisselend met kunststof doek bespannen of gewoon open gelaten, zodat de keuken ruimtelijk overloopt in de andere vertrekken van het huis. Onder de kooi bevinden zich de slaap- en wasruimtes, boven de kooi een lossende, zwevende zitverdieping die op zijn beurt weer toegang geeft tot een dakterras.

Zo is het Body House een huis geworden met een schitterende keukenruimte als hart. Maar hoe goed het Monolab ook is gelukt om de wens van de opdrachtgevers te vervullen, het Body House maakt ook duidelijk waarom zo veel wilde woners kiezen voor een catalogushuis. Want het Body House is een duidelijk geval van een `maatkostuum' dat alleen mensen past wier vrije tijd in het teken staat van veel of langdurig koken en eten. Een doorsnee-gezin met kleine kinderen heeft in het Body House niets te zoeken: de kinderen zouden met zekere regelmaat uit de keuken naar beneden vallen. En net zoals een maatpak moeilijk door te verkopen is, zal het aantal mogelijke kopers voor het buitengewoon specifieke Body House klein zijn. Het is dan ook niet moeilijk om te voorspellen dat het Wilde Wonen in Nederland ook in de toekomst zal worden beheerst door braafheid.

Gebouw: Bodyhouse, Katendrecht, Rotterdam. Opdrachtgevers: Tijs van Ruiten en Paula Colenbrander, Rotterdam. Architect: Monolab architects (Jan Willem van Kuilenburg) Ontwerp: 2002-2003. Oplevering: 2005.

    • Bernard Hulsman