Doe niet zo blank, man

Lange tijd ging men er in Nederland vanuit dat `integratie met behoud van eigen cultuur' de beste manier was om immigranten op te nemen in de samenleving. Inmiddels is het roer om, maar wat het huidige integratiedebat compliceert, is het almaar terugkerende begrip cultuur, alsof het hier gaat om eeuwige en onveranderlijke objecten. Wat houdt een `eigen cultuur' in?

In de Verenigde Staten is er sinds de burgerrechtenbeweging in de jaren zestig vaak vruchtbaar nagedacht over racisme en etnische identiteit in een veelkleurige samenleving. Zo ook in The Artificial White Man van Stanley Crouch. Hij biedt een eigenzinnig perspectief op deze vragen en onderzoekt wat wel en wat niet authentiek is in de zoektocht naar identiteit.

Crouch is een onafhankelijke, soms dwarse geest, die niet bang is om heersende opvattingen over etniciteit en cultuur genadeloos onder de loep te nemen. Zijn centrale stelling is dat de zoektocht in Amerika naar (etnische) identiteit én de commerciële exploitatie daarvan door de mode-industrie, mensen opsluit in een niet-authentieke identiteit, die de individualiteit smoort. Vooral de hiphop-cultuur moet het daarbij ontgelden. In het essay `Baby Boy Blues' schrijft Crouch dat de MTV-beelden van zwarte jongeren aardig in de buurt komen van de scènes in Griffiths racistische film Birth of a Nation (1915), waarin zwarten worden afgeschilderd als `bullying, hedonistic buffoons ever ready to bloody someone.' Dat is een krasse uitspraak, temeer omdat de academische wereld in Amerika hiphop-sterren heeft omhelsd als de nieuwe zwarte helden. Maar die vloekende, dreigende, seksistische jongemannen uit die MTV-videoclips zijn helemaal geen goed rolmodel voor zwarte jongeren, aldus Crouch. Al was het maar omdat de hiphop-cultuur goede schoolprestaties afwijst als `blank'. Dat laatste moet voor Crouch, die tot de generatie van de burgerrechtenbeweging behoort, het ergste zijn. Alles wat in zijn tijd is bevochten, van gelijke kansen in het onderwijs tot grotere maatschappelijke participatie van Afro-Amerikanen, staat of valt met de inzet en ambitie van zwarte jongeren om van die kansen gebruik te maken.

Maar er is één belangrijke oorzaak voor het onderwijsprobleem dat Crouch niet noemt: de scholen in de binnensteden worden niet adequaat gefinancierd en beschikken over onvoldoende leermiddelen, computers, schone wc's, etc. Zou daar verandering in komen, dan is het maar de vraag of arme zwarte jongeren nog steeds zouden onderpresteren. En dan zou ook opnieuw moeten worden onderzocht hoeveel invloed er nog van de hiphop uitgaat.

Crouch lijkt bovendien de vette knipoog waarmee de `gangsta rap' wordt gepresenteerd te ontgaan. Deze rap is voortgekomen uit het vooroordeel dat zwarte jongeren in de armoedige Amerikaanse binnensteden zich uitsluitend met misdaad bezighouden. Zowel `gangsta' als `nigga' zijn in deze context eerder als geuzennamen op te vatten. Maar als Crouch de hint al mist, is het de vraag in hoeverre die knipoog ook jongeren ontgaat, die wél met die hiphop-helden dwepen.

Dat er een gemeenschappelijke Amerikaanse cultuur is, die niet alleen alle Amerikanen en hun subculturen omvat, maar die ook aan alle Amerikanen toebehoort, wordt duidelijk uit het werk van schrijver Philip Roth en regisseur Quentin Tarantino, meent Crouch. Zo weet Tarantino in films als Pulp Fiction door zijn brede kennis van de Amerikaanse cultuur de diverse subculturen, en de daarbijbehorende filmgenres, te parodiëren zonder ook maar een moment racistisch te worden. De overschrijding van de eigen subcultuur is de reden dat Crouch de schrijver en de cineast zo waardeert: ze sluiten zich in hun werk niet angstig of onverschillig op binnen eigen grenzen, maar overschrijden die uit oprechte belangstelling voor `de Ander'.

Stanley Crouch: The Artificial White Man. Essays on Authenticity. Perseus, 256 blz. €34,50

    • Manja Ressler