De lens ziet helemaal niets

Aan het slot van De optimisten, Andrew Millers vierde roman, wordt Clem Glass, verloederd oorlogsfotograaf op zoek naar absolutie, van zijn depressie verlost door een politieagent. Een filosofische agent, dat wel. `Ik heb jou beter door dan je denkt, Clement,' zegt de agent. `Jij bent wat ik een zonden-der-wereld-type noem. Geobsedeerd door denkbeelden over morele chaos. Alle mensen zijn schuldig omdat alle mensen hetzelfde zijn.'

De agent stuurt Glass naar huis nadat deze een misdaad heeft bekend die hij niet pleegde. En passant brengt hij één en ander terug tot duidelijke proporties: goed is goed en slecht is slecht en Clem Glass, al heeft hij als fotograaf een bloedbad in Afrika vastgelegd (hij stond erbij en hij keek ernaar), behoort niet tot de kwaden. Belangrijker is dat de agent heel Clems exclusieve gedrag van `Ík ben de enige die in de muil van de hel heeft gekeken' reduceert tot wat het is, of liever, tot wat het aan het slot van deze roman is geworden: egocentrisch geneuzel.

`Hij zou,' laat Miller Clem in de slotpassage denken: `nog steeds niet hebben kunnen zeggen voor wie hij huilde. Voor zichzelf, dacht hij, alleen voor zichzelf.'

In De optimisten beschrijft Miller – die in 1991 een Bookerprize-nominatie voor zijn familieroman Oxygen ontving – Glass' pogingen met zichzelf in het reine te komen nadat hij `het bloedbad in de kerk van N' heeft gefotografeerd, duidelijk gebaseerd op de slachtingen bij Nyamata in Rwanda.

De slachtingen zelf blijven in alle opzichten buiten beeld. Ze zijn niet het onderwerp van de roman, Clems foto's ervan worden niet gepubliceerd, en foto's noch slachtingen worden door Miller beschreven. Op drie na dan: een dia van de vermoedelijke aanstichter, Sylvestre Ruzindana, één van een overlevende, de tienjarige Odette `wier jeugd uit haar hoofd was gehakt', en één van bloedspatten op een muur.

Zoals meer depressieven vlucht Glass voor zijn depressie; tegelijk klampt hij zich eraan vast. `Die dia's zouden hem vertellen wie hij was (want wie wás hij?) en wat hij geloofde (want wat gelóófde hij?). Uiteindelijk zouden ze hem excuseren. En zo niet, dan zouden ze hem als excuus dienen.'

Oorlogsfotografen, zo blijkt maar weer, zijn handige hoofdpersonen voor schrijvers die zich geroepen voelen vanachter hun bureau iets over de gruwelen in deze wereld te zeggen. Het zijn boodschappers, net als de schrijvers zelf, en tegelijk actiehelden, in tegenstelling tot die schrijvers. Daarnaast zijn fotografen de perfecte aanleiding voor bespiegelingen over de relatie tussen gruwel, schoonheid en kunst. Tenslotte belichamen fotografen de kloof tussen kijken en handelen, die iedereen die naar gruwelijke beelden kijkt, bekend moet voorkomen. `Wat voor mens kan zulke foto's maken?' krijgt Clem te horen. Materiaal genoeg, maar daar zit nu juist ook het probleem. Voor je het weet heb je een dunnetjes als roman vermomd essay over de verhouding tussen fotografie en werkelijkheid, vol metaforische variaties op kijken en lijden. Aan die voortwoekerende metaforiek lijdt De optimisten zeker – Clems oogaandoening, bijvoorbeeld, of de blindheid van zijn moeder, een politiek activiste – maar meestal weet Miller zijn materiaal ongezocht in zijn verhaal te verwerken. Sterk is bovendien dat de schrijver geen oplossingen biedt waar die er niet zijn en dat hij, bij monde van die agent, zijn eigen themathiek relativeert. Want inderdaad, het hele feit dát Clem zich over deze zaken in een depressie kan denken, is niets anders dan pure luxe.

Gelukkig is De optimisten meer dan een specifiek betoog over de aard van het kwaad of `kunst na Rwanda'. Het is ook een universeel verhaal over fasen van rouw: verdwazing, vlucht, opstand, berusting. Maar bovenal schetst het in een vloeiende stijl wat er in een mensenhoofd kan omgaan, het opflakkeren en duister worden van `de innerlijke bioscoop' van Clem Glass. Vooral de eerste hoofdstukken zijn prachtig. Schijnbaar ter zake, maar in bewoordingen die zowel spanning als uitgebluste hopeloosheid oproepen, beschrijft Miller hoe Glass' alledaagse routine na zijn terugkeer uit `N' een lege huls is geworden. Niets lijkt nog waar of waarachtig tegen het licht van wat zijn camera gezien heeft. Niets van wat hij ziet komt aan, tegelijk zet hij zich schrap voor het moment dat wat hij zág in volle hevigheid zal toeslaan. `Het was alsof hij wachtte tot hij zou kunnen overgeven.'

Clems rusteloosheid brengt hem naar Canada, waar de journalist met wie hij het bloedbad heeft bezocht, zijn shock heeft afgewend met filantropie. Frank Silverman deelt nu de resten van restaurantkeukens uit aan daklozen en illegalen. `Ik heb mijn eigen Canada nodig,' denkt Clem. Maar Silvermans keuze is de zijne niet.

Evenmin wordt Clems `genezing' louter veroorzaakt door het gekneuter in de cottage, waar hij vervolgens samen met zijn geesteszieke zuster Clare probeert hun respectievelijke demonen te verslaan. Na passages over de loutering van werken in de tuin en eenvoudig, maar robuust eten vrees je even dat De optimisten een heel vreselijk boek is, waarin het tegenwicht voor een slachtpartij in Rwanda ligt in een bord pasta met salieblaadjes en een goede olijfolie.

Totdat blijkt dat Ruzindana is gearresteerd – en weer is vrijgelaten. Dat brengt Clem naar Brussel, waar hij een man – Ruzindana of niet, hij komt er niet achter – met zijn foto's confronteert, zonder dat dit iets oplevert. Clem past zelfs de bril van Ruzindana, die hem, als zijn ogen zich hebben aangepast, helder zicht biedt. En hij bezoekt het Koloniaal Museum voor Afrika in Tervuren, vol souvenirs van slachtingen door blanken.

Gelukkig stopt Miller evenmin bij de `white man's burden'. Hij stuurt Clem weer terug naar Londen, waar hij nog verder aan lager wal raakt, tot de ontmoeting met de agent. Aan het slot van De optimisten laat Clem de drie dia's letterlijk ondersneeuwen, alsof `vergeten misschien wel de meeste waarachtige functie van het geheugen was'.

Een zekere nederigheid, zou je kunnen zeggen, is bij dit alles de grondtoon. Het beroemde, ook in dit boek geciteerde, adagium van Susan Sontag luidt dat (gruwelijke) foto's de wereld voorstellen zoals hij is, maar dat werkelijk begrip pas begint met nee-zeggen tegen die wereld. Miller laat zien dat niet iedereen daartoe in staat is. De optimisten uit de titel zijn diegenen die zich, tegen beter weten in, verzoenen met de wereld. Degenen die toch maar weer aan het werk gaan, `vanuit een gering, maar nuttig geloof in zichzelf, en een klein, maar koppig geloof in de anderen'.

Zelfbedrog, zeker. Maar niet iedereen kan daar nu eenmaal buiten.

Andrew Miller: De optimisten. Vertaald door Auke Leistra.

Anthos, 270 blz. €22,95