Compliment

Laten we vandaag eens een onderdeel van het beleid van het kabinet-Balkenende positief belichten. Het is zomer, het halve land is nog weg en de andere helft vermaakt zich in attractieparken, musea, duinen en bossen (worden we overigens ooit nog bijgepraat over de poema of merken we vanzelf hoe het daarmee staat als we gaan kamperen op de Veluwe?).

Er is geen klemmend actueel punt dat om aandacht smeekt, we gaan gewoon een welgemeend compliment uitdelen. Dankzij het kabinet-Balkenende is het lang gekoesterde taboe op een spreidingsbeleid in de volkshuisvesting eindelijk gesneuveld.

Begin jaren '70 zagen veel gemeentebestuurders (vooral in de grote steden) al in dat veel gastarbeiders niet naar hun land van herkomst zouden terugkeren. Zij besloten hun toen nog beperkte aantallen gastarbeiders zoveel mogelijk te spreiden over de gemeente, zodat ze snel de taal zouden leren en zouden inburgeren in hun nieuwe vaderland. Woningbouwcorporaties, wijkbestuurders en gemeentebestuurders gingen maximumpercentages hanteren: niet meer dan één allochtoon gezin per portiek, niet meer dan 15 procent allochtonen in deze straat, geen autochtone gezinnen `insluiten' in een portiek vol `etnische buren'.

Aan deze voorzichtige pogingen om de immigratie in goede banen te leiden, werd in de loop der jaren door diverse kabinetten van linkse en rechtse signatuur een eind gemaakt. Het Verwey-Jonker Instituut, dat in opdracht van de parlementaire enquêtecommissie studie maakte van dertig jaar minderhedenbeleid, vond in regeringsstukken uit de jaren '80 diverse berispingen aan het adres van gemeentebestuurders. Zo schreef staatssecretaris Brokx van Volkshuisvesting (CDA) in 1983: ,,[Het komt voor] dat met de term spreidingsbeleid primair beoogd wordt een meer gelijkmatige verdeling van bevolkingsgroepen over de gemeente op basis van toewijzing aan de hand van (onder meer) etnische criteria. In dat geval staan niet de individuele keuzevrijheid en het beschikbare woningaanbod centraal, maar bepaalt de gemeente de mate van concentratie of spreiding van minderheden aan de hand van niet terzake doende etnische criteria en maakt zij het individu daaraan ondergeschikt. Een dergelijke benadering van allochtonen zou naar mijn oordeel in strijd met het non-disriminatiebeginsel kunnen komen.'' En in 1988, als blijkt dat sommige gemeenten nog steeds voorzichtig aan spreiding doen, waarschuwt het kabinet-Lubbers II (CDA-VVD): ,,De individuele keuzevrijheid, het beschikbare woningaanbod en de reguliere verdelings- en toewijzingscriteria dienen centraal te staan. Aan wensen en opvattingen van zittende bewoners over de mate van instroom van minderheden in hun woongebied kan niet onder de vlag van inspraak worden tegemoetgekomen.''

Het zou tot 2003 duren voor de gemeente Rotterdam (in de jaren '70 ook al warm aanhanger van een spreidingsbeleid) het opnieuw zou gaan proberen. Er valt niet zo heel veel meer te spreiden in een stad die op niet al te lange termijn voor de helft uit allochtonen zal bestaan, maar het siert de gemeente dat zij toch wil proberen een aantal concentratiebuurten uit het slop te halen door de daar vrijkomende woningen te reserveren voor kansrijke nieuwe bewoners die minimaal 120 procent van het minimumloon verdienen. Wijs geworden door haar eerdere ervaringen durfde de gemeente het niet aan woningzoekenden te gaan spreiden en te verdelen op basis van etniciteit. Men koos voor de omweg van de inkomensgrens en vroeg veiligheidshalve ook nog advies aan de Commissie Gelijke Behandeling. Helaas toonde de CGB zich ten aanzien van spreiding in de volkshuisvesting net zo rigide als eerder in haar jurisprudentie over spreiding in het onderwijs. Het inkomenscriterium zou disproportioneel nadelig uitpakken voor alleenstaande werkende moeders en mensen van nietNederlandse herkomst, aldus de commissie, met een verbijsterend gebrek aan mededogen met de Rotterdamse gemeentebestuurders en het lot van bewoners van concentratiebuurten. Dat inwoners van Haren, Oegstgeest, Heemstede, Aerdenhout en Wassenaar zich veilig weten in gemeenten zonder enige noemenswaardige allochtonenproblematiek is vanuit de optiek van het recht blijkbaar geen enkel probleem, maar als inwoners van Rotterdamse concentratiebuurten de hulp van hun gemeentebestuur nodig hebben om de verloedering in hun buurt althans enigszins te keren, stuiten zij direct op de grenzen van het recht.

Deze keer echter heeft de gemeente Rotterdam wel de steun van de nationale overheid. Het kabinet-Balkenende diende een wetsvoorstel in dat grote gemeenten de bevoegdheid geeft bepaalde wijken uit te roepen tot `kansenzones' en in die wijken woningen te reserveren voor inwoners die zes jaar of langer in Nederland wonen en aan bepaalde sociaal-economische kenmerken voldoen (de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek). Dit wetsvoorstel moet het Rotterdamse spreidingsbeleid van een degelijke wettelijke basis voorzien. Jammer is wel dat een wijk volgens dit wetsvoorstel minstens 60 procent allochtone inwoners moet tellen om in aanmerking te komen voor het predikaat `kansenzone'. Het lijkt verstandig om dat percentage flink te verlagen, zodat middelgrote gemeenten, waar de segregatie nog niet zover is voortgeschreden als in de grote vier, eerder aan spreiding kunnen gaan denken.

Maar ik zou geen kritiek leveren, ik wilde een echt compliment geven en dat doe ik dus. Bij dezen.

    • Margo Trappenburg