Begrippen als `moslimterreur' stigmatiserend

Na de aanslagen in Londen ontstond in Groot-Brittannië discussie over het gebruik van het woord `terrorisme'. De Daily Telegraph beschuldigde de BBC ervan het woord te vermijden op grond van een soort politieke correctheid. Alsof een journalist de dingen niet bij hun naam mocht noemen.

De redactionele richtlijn van de BBC schrijft voor dat journalisten niet `achteloos' woorden gebruiken die een `emotionele of oordelende' lading hebben. Bij de recente aanslagen werden de daders vaak aangeduid als bombers, wat volgens een woordvoerder van de BBC een `preciezere' aanduiding is zolang verdere gegevens ontbreken. Maar daarnaast is ook het woord terrorists gebruikt. In ieder geval zegt de BBC ,,de volle verschrikking van de wreedheid'' duidelijk gemaakt te hebben.

Internationale nieuwsorganisaties als BBC en Reuters berichten sinds jaar en dag over bomaanslagen in heel de wereld. Ze doen dat zoveel mogelijk in neutrale termen. Het is immers niet altijd eenvoudig terroristen te onderscheiden van vrijheidsstrijders. Nog ingewikkelder wordt het als regeringen zich schuldig maken aan staatsterreur of als ze groepen of regimes steunen die later terroristen heten. Zie Afghanistan en Irak.

Het terrorisme van de laatste jaren is een veelkoppig monster dat zich moeilijk door één term laat vangen. Uit de geschiedenis kennen we voorbeelden van anarchistisch, extreem-links, nationalistisch, separatistisch, extreem-rechts en religieus terrorisme. In de vakliteratuur bestaan meer dan honderd definities. In zijn War on Terror heeft president Bush de term ver opgerekt. Omgekeerd wordt hij zelf door tegenstanders als de taalgeleerde Noam Chomsky ook beschuldigd van terrorisme.

Er is ook verschil in perceptie van terroristische aanslagen bij het publiek en in de media. Uit Irak komt wekelijks nieuws over tientallen, soms honderden doden. Door geweld van buiten en van binnen zijn nu al meer dan 25.000 burgers omgekomen, volgens sommige schattingen zelfs honderdduizend, bijna allemaal moslims. Maar het zijn routineberichten van persbureaus die minder indruk maken dan de reportages van eigen verslaggevers uit Londen.

Overigens deden die verslaggevers hun werk voortreffelijk. Op de dag van de eerste aanslagen was NRC Handelsblad-correspondent Floris van Straaten voor de G8-top in Schotland, maar gelukkig verbleef zijn voorganger Hans Steketee nog in Londen. Die kon dus inspringen. Vier uur na de explosies rolde de krant met twee pagina's breaking news al van de pers. Even leek het of de krant gelijke tred hield met radio en tv. In de weken daarna kon de krant uitblinken in vervolgverhalen, duiding en debat.

In de Britse media werd veel gesproken over de noodzaak van zelfonderzoek in de moslimgemeenschap. Maar er waren ook kritische vragen over de – vanaf het begin omstreden – Britse rol in de oorlog in Irak. Heeft die oorlog niet contraproductief gewerkt? Ging het niet meer om de olie dan om het terrorisme?

Gezien al die debatten is het van belang dat media hun woorden zorgvuldig kiezen. In het Nederlandse strafrecht wordt onder `terroristisch oogmerk' verstaan dat men de bevolking ernstig vrees aanjaagt, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk poogt te dwingen iets te doen, te laten of te dulden, dan wel politieke of andere structuren ernstig poogt te ontwrichten of te vernietigen. Op grond van die definitie kon de rechter vaststellen dat de moordenaar van Theo van Gogh een `terroristisch oogmerk' had.

In Londen was snel duidelijk dat het om terroristische aanslagen ging. Natuurlijk mag een verslaggever dat hardop zeggen. Maar in de dagen daarna bleek toch voorzichtigheid geboden. De man die door de politie werd doodgeschoten was geen terrorist, maar een onschuldige Braziliaan.

Steeds vaker lezen we berichten dat de politie mensen arresteert op verdenking van terrorisme. Onlangs overkwam dat een al 29 jaar in Nederland wonende Egyptenaar. Een krant kan dan voorzichtig zijn met de aanduiding van zijn identiteit, maar voor zijn omgeving is hij wel gestigmatiseerd.

De redactie van NRC Handelsblad heeft geen afspraken over het gebruik van het woord terrorisme. In de berichtgeving over de recente aanslagen in Groot-Brittannië, Israël, Egypte en Turkije, en ook in de bijna dagelijkse berichtgeving over de strijd in Irak wordt het woord `terrorist' wel gebruikt, maar dan meestal in citaten van anderen. De verslaggevers zelf spreken concreet van explosies, autobommen, zelfmoordacties en aanslagen. De plegers worden aangeduid als vermoedelijke daders, verdachten of mogelijk betrokkenen. In de berichtgeving over Egypte werd gesproken over `militanten'. In Irak opereren `opstandelingen', `rebellen' of gewoon `tegenstanders van de regering'.

Het probleem zit hem vooral in de duiding van de bedoelingen van de terroristen. Bij de recente aanslagen in het Westen gaat het meestal om een mengeling van religieuze, maatschappelijke en politieke motieven. Per land en per actie verschilt de mix.

Waar de islam in het geding is, mogen islam en terrorisme niet op één lijn worden gesteld. Daarmee doe je die godsdienst en het overgrote deel van de gelovigen onrecht. Bovendien zijn in veel landen ook de bestrijders van het terrorisme moslim. Daarom is de term `moslimterreur' die af en toe ook in deze krant voorkomt – ook het dossier op de website heet zo – dubieus. We spraken bij de IRA toch ook niet van `rooms-katholiek' terrorisme. En de ruim 7.000 moslimmannen bij Srebrenica zijn toch ook niet door `christelijkorthodoxe' terroristen afgeslacht?

Strikt genomen is de term moslimterrorisme of -terreur niet onjuist. Bedoeld wordt immers: terreurdaden van moslims. Religie speelt ook een belangrijker rol dan destijds in Noord-Ierland of Joegoslavië. Maar bij Koerden, Palestijnen of Soennieten in Irak ligt de zaak anders dan bij Mohammed B. of in Londen. Dan is het toch beter om termen nader te preciseren. Ook om stigmatisering van een grote Nederlandse bevolkingsgroep te voorkomen.

Piet Hagen, oud-hoofdredacteur van `De Journalist', blikt eens in de veertien dagen kritisch terug op de berichtgeving in NRC Handelsblad. Alle eerdere bijdragen op www.nrc.nl/krantachteraf.

    • Piet Hagen