Om de suprematie

Het overnamegevecht om de Amerikaanse olieproducent Unocal was een strijd tussen de twee titanen van de wereldeconomie: China en de Verenigde Staten. De VS hebben gewonnen – voorlopig. Maar China zal het er niet bij laten zitten. Het land groeit en zoekt economische expansie. Het koopt zich in de Rotterdamse haven (containers) in, het biedt op een failliete Britse automaker (MG Rover) en het probeert een Amerikaans energiebedrijf over te nemen. Meestal krijgen de Chinezen wat ze willen, maar in het gevecht om Unocal haperde de oosterse overnamemachine.

Hier botsten niet alleen twee reuzen; het ging om niets minder dan om het principe van marktliberalisme, om de ongelijke strijd tussen een staatsbedrijf en een privé-onderneming, het geld van aandeelhouders, handelsruzies en strategische belangen. In dat krachtenveld is het te simpel om te zeggen dat de vrije markt moet prevaleren. In beginsel: zeker. Maar er valt in het onderhavige geval op z'n minst begrip voor de Amerikaanse opstelling op te brengen. De asymmetrie was simpelweg te groot; het Chinese staatsgeschut te grof.

De leiding van de Chinese olie-onderneming China National Offshore Oil Company (CNOOC) heeft reden verbolgen te zijn over haar mislukte miljardenbod op Unocal. De nederlaag voltrok zich na politieke interventie vanuit Washington. Dit riekt naar protectionisme. Dat de Amerikaanse regering geen kampioen vrije markt is, was bekend. Het vrijemarktdenken wordt weliswaar door Bush c.s. met de mond beleden, maar de praktijk is prozaïscher. Marktbescherming komt regelmatig voor en is een bron van ergenis in het economisch verkeer met Amerika. Het Chinese bod van 18,5 miljard dollar op Unocal lag meer dan 700 miljoen dollar boven dat van concurrerende bieder Chevron, een Amerikaans concern. De Amerikaanse politieke vreugde over het Chinese verlies is misplaatst. De aandeelhouders van Unocal worden aantoonbaar tekort gedaan. Het waas van protectionsme dat over deze zaak ligt, oogt niet fraai.

En toch heeft Washington een punt. CNOOC is een staatsbedrijf. Indirect biedt de Chinese staat mee op een privé-onderneming. De biedingsstrijd wordt daarmee ongelijk – asymmetrisch – en wordt beïnvloed door de kernvraag wat de bedoeling van deze vorm van staatsbemoeienis is: meedoen met de vrije economie of zoeken naar marktbeheersing? Het antwoord hierop is des te belangrijker omdat het bij Unocal gaat om een strategisch goed: olie. Het marktaandeel van Unocal is weliswaar beperkt, maar dat doet aan het feit niets af. Auto's, staal, containers – de strategische betekenis van deze goederen is geringer dan van die van olie. Geen wonder dat Washington gealarmeerd was. `Chinese staat koopt Amerikaans oliebelang'. Het zijn dergelijke koppen die de politici op Capitol Hill liever niet in de krant lezen.

Internationaal trok dit gedenkwaardige overnamegevecht veel belangstelling. Zonder gevolgen zal het niet blijven. China is op economisch gebied al veel te machtig – en te belangrijk voor Amerika – om dit niet uit te spelen. Peking verloor de slag om Unocal, maar de strijd om de suprematie in de wereldeconomie gaat door. De Chinezen zijn niet de onderliggende partij. Winnen mogen ze, maar pas als hun bedrijven vrij zijn van de staat.