Extremisten hebben internet gekaapt

Met behulp van internet hebben in het universum van de jihad de moslimrechtsgeleerden van weleer plaatsgemaakt voor baardige cybersalafisten, betoogt Gilles Kepel.

De aanslagen in Londen en Sharm El-Sheikh kwamen niet echt als een verrassing voor wie – vooral in het Arabisch maar ook in het Engels – de bloeiende jihadliteratuur op internet volgt. Het wereldbeeld dat Bin Laden en Zawahiri c.s. prediken leidt ertoe dat dagelijks op tal van sites wordt opgeroepen de `kafirs' te doden – een polemische term voor `ongelovigen', die niet alleen de joden (`zionisten'), de christenen (`kruisvaarders') en de hindoes (`polytheïsten') omvat, maar ook alle moslims die zich nog niet hebben aangesloten bij de kleine groepjes waarvan de leden zich hebben laten bedwelmen door de ideologie van de jihad.

Het is wel zo dat deze terroristische epidemie, al is ze nog zo spectaculair, moorddadig en politiek doeltreffend, maar een beperkt aantal personen heeft besmet. Ze slaagt er niet in de massabeweging te worden waar haar zegslieden zo vurig naar verlangen, die eerst de `verdorven' regimes van de islamitische wereld te gronde zou moeten richten om vervolgens Europa en Amerika te veroveren – een messianistisch visioen dat inhoudt dat de islam zowel in de hemel als op aarde zou triomferen.

Toen het de islamistische beweging in de jaren '90 niet gelukt was de macht te grijpen in Egypte, Algerije, Bosnië, Kasjmir en Tsjetsjenië, is zij in tweeën gesplitst. De `gematigde' fundamentalisten, afkomstig uit de stedelijke middenklasse, zijn opgenomen in diverse regeringen of maken daar goede kans op – van de Turkse AKP, de Algerijnse Hamas en de Marokkaanse PJD tot de Moslimbroeders in diverse landen van het Midden-Oosten. In ruil voor `islamisering' van de wetten en de zeden, en lucratieve baantjes, dragen zij bij tot de stabiliteit van de plaatselijke regimes. Dat `verraad' aan de zaak van de jihad heeft echter des te meer verbittering veroorzaakt bij de radicale groeperingen, die het vaak zonder stromannen in organisaties en instellingen moeten stellen.

Uit die verbittering is het terrorisme voortgekomen. Door middel van spectaculair geweld proberen Al-Qaeda en aanhang via de media contact te leggen met de massa's die zij willen mobiliseren. Juist het mislukken van dat streven had tot een einde aan het geweld moeten leiden. Toch duurt het voort – waarom?

Allereerst omdat de digitale revolutie en de nieuwe informatie- en communicatietechnologie een volslagen omwenteling teweeg hebben gebracht in de overdracht van kennis binnen de islam. De extremisten hebben dat universum overvallen op een moment dat de islam nog niet was toegetreden tot de moderne wereld die wordt gekenmerkt door kritische distantie tot religieuze doctrines. Internet, dat in het Westen wordt gezien als middel tot postmoderne ontplooiing van het individu, is in de islamitische wereld gekaapt door de meest extremistische groeperingen, die daardoor de staatscensuur op publicaties weten te omzeilen, waardoor de verbreiding van jihadistisch gedachtegoed, informatie en instructies exponentieel versneld is. Op die manier is een nieuw wereldwijd domein ontstaan, een digitale `oemma' die zich uitstrekt van Leeds tot Peshawar, van Sharm El-Sheikh tot Madrid en van Riad tot Amsterdam. Die gemeenschap van jihadistische gelovigen heeft alleen nog een virtueel Mekka; zij heeft geen middelpunt meer, of liever, zij heeft talloze middelpunten, zij laat zich voorstaan op het universum van websites waar de verlossing van de mensheid door de uitroeiing van de `ongelovigen' wordt gepredikt. Figuren als Bin Laden en zijn trawanten kunnen daar tot in het oneindige worden gekloond.

Dat is de zwakte én de kracht van het jihadterrorisme: omdat het op het maatschappelijke vlak geen voet aan de grond krijgt, neemt het genoegen met een waanbeeld van de gemeenschap der gelovigen waarin de herhaling van bloedbaden onder de `ongelovigen' meer doel dan middel geworden is, zoals bij iedere ontaarding die, onvruchtbaar als ze is, gedoemd is zich tot in het oneindige te herhalen.

Maar het is ook zijn kracht: doordat de jihadistische indoctrinatie alle plegers van zelfmoordaanslagen ervan doordringt dat zij martelaren worden, voor wie heel het paradijs zal opengaan, heeft repressie geen effect. Zij functioneert binnen een andere economie dan die waarop de moderne beschavingen gegrondvest zijn: het leven heeft er geen prijs, de dood is de opperste voleinding.

Als je de heilige teksten van de islam – of die van andere religies – letterlijk opvat, bevatten ze een overvloed aan dergelijke geboden, maar in de veertien eeuwen islamitische beschaving voorafgaand aan de intrede van internet was de kritische interpretatie van de teksten voorbehouden aan de rechtsgeleerden, de `oelama's'. Dankzij internet hebben in het universum van de jihad de oelama's van weleer plaatsgemaakt voor baardige cybersalafisten, die maar één interpretatie van de heilige teksten kennen: de letterlijke. Voor hen is alles wat digitaal is transcendentaal, en lopen het hiernamaals en de virtuele wereld door elkaar in één hersenschimmige entiteit, die is afgesneden van de echte wereld en die haar eigen wetten heeft. Op het snijvlak van die twee universums staat een dubbele dood: de zelfmoord van de `martelaar', die hem bevrijdt van de – als schizofreen ervaren – spanning tussen de twee werelden, en het afslachten van `ongelovigen'.

Irak, Israël, het verbod op religieuze symbolen op Franse scholen, en de film van Theo van Gogh dienen in dit verband vooral als voorwendsels om in de ogen van de massa de terreur te rechtvaardigen. Men mag ze niet, zoals bepaalde Europese politici doen, verwarren met de oorzaak ervan. Die ligt vooral in de uiterst effectieve rekrutering voor de jihad via internet, waarbij radicale predikers zonodig de helpende hand bieden. Die werving treft vooral jongeren, hoe langer hoe jonger, voor wie internet het middel bij uitstek voor religieuze socialisatie is geworden, dat met behulp van de codes en de beeldtaal van war games en video's de plaats begint in te nemen van de integratie in de werkelijke samenleving.

En die sociale integratie is nu juist het enige tegengif tegen het terrorisme, doordat ze waarden aanbiedt die de plaats van de jihad tegen de `ongelovigen' kunnen innemen. In het merendeel van de islamitische landen is de sociale integratie mislukt door de groeiende kloof tussen rijk en arm, tussen de elite die zich vastklampt aan haar privileges en de door de bevolkingsexplosie aangezwollen massa.

Het terrorisme, dat een dodelijke uitweg biedt uit die frustrerende toestand, zal nog meer rekruten werven. Het voorbeeld van Irak, waar op grote schaal autobomaanslagen worden gepleegd en dat de aanslagen in Sharm El-Sheikh lijkt te hebben geïnspireerd, speelt thans de rol die Afghanistan in de jaren '80 en '90 vervulde – met een door de overgang van fax naar internet aanzienlijk verhevigde uitwerking. Dat het de Verenigde Staten en hun bondgenoten niet is gelukt de vrede te herstellen, geeft de on line-jihadisten aanleiding tot gejubel en verschaft hun de zekerheid dat Amerika uiteindelijk door zijn aangekondigde nederlaag in Irak ten onder zal gaan, zoals de Sovjet-Unie dodelijk verzwakt werd door zijn fiasco in Afghanistan.

Men lijkt zich in Washington nog amper bewust te zijn van de voorbeeldfunctie van de Iraakse jihad; liever wijst men met een beschuldigende vinger naar Europa als een werelddeel dat volgens de neoconservatieven de westerse zaak zou hebben verraden uit angst voor de reactie van de miljoenen `half-geïntegreerde' moslims die zich er hebben gevestigd, en die met hun sterke bevolkingsgroei het oude werelddeel – nog steeds volgens Washington – weldra tot een dependance van de Maghreb zullen maken. Maar het is meer, zoals met de moord op Theo van Gogh in Nederland, het echec van het multiculturele model, dat het sociale toezicht op `gemeenschappen' die in cultureel anderszijn waren blijven steken, toevertrouwde aan imams en andere predikers die door internet zijn gemarginaliseerd en die geen `vastigheid' meer kunnen bieden.

De landen en samenlevingen van Europa – inclusief de bevolkingsgroepen van islamitische afkomst die de ontvangende partij zijn en die de Europese identiteit hebben overgenomen – moeten rechtstreeks, uit naam van de waarden van de Europese democratie, het hoofd bieden aan de totale oorlog die hun door kleine terroristische groepen wordt aangedaan, en die zich niet verbergen achter achterhaalde tussenpersonen. De verdediging van Europa en de bevrijding van de moslims van de last van de jihadterreur zijn één en dezelfde strijd. Wanneer de bevolkingsgroepen van islamitische oorsprong die zich in het oude werelddeel gevestigd hebben en zich zijn waarden eigen hebben gemaakt, in deze strijd duidelijk partij kiezen voor hun Europese landgenoten, worden zij het ideale middel om de jihadisten op de vlucht te jagen.

Daarom doen die laatsten pogingen om in die groepen te infiltreren, waarmee zij het alles-of-niets van Al-Qaeda tot het uiterste doorzetten, van de bij Europeanen geliefde badplaatsen in Egypte tot in het hart van Londen.

Gilles Kepel is onderzoeksdirecteur bij het Franse Centre National de la Recherche Scientifique (CNRS-Ceri) en hoogleraar aan het Institut d'études politiques in Parijs, waar hij leidinggeeft aan het postdocprogramma over de Arabisch-islamitische wereld. Zijn jongste boek is `Fitna, guerre au coeur de l'islam' (Fitna, oorlog in het hart van de islam). © Le Figaro.

    • Gilles Kepel