Dujourie schept toneel zonder stuk

Jeux de Dames is de titel van het boek bij de overzichtstentoonstelling van de Belgische Lili Dujourie (1941) in Brussel. In een serie zwartwit videofilms uit de jaren zeventig wentelt een naakte vrouw (Dujourie zelf) zich over een bed, schuift onder de lakens en er weer onder vandaan, laat zich op de vloer zakken, glijdt met langzame zwem- en draaibewegingen om het bed heen, tilt zich weer op het bed. Nutteloze, wellustige bewegingen, dertig minuten lang.

De vrouw toont zichzelf zonder enige terughoudendheid en doet alsof ze niet weet dat de camera draait – inderdaad, een vrouwenspelletje. Er trekt een lange reeks vrouwen uit de kunstgeschiedenis aan de toeschouwer voorbij: Danaë, Venus, Maya, Olympia.

Dujourie noemde de filmserie Hommage à ..., daarbij in het midden latend of de films een hommage zijn aan de vrouw, of aan de (mannelijke) kunstenaars die haar in al deze gedaanten schilderden. In feite gaan ze over het kunstenaarschap van Dujourie, over de dubbelrol van model en kunstenaar. Zij maakte de films in een periode waarin het nog allerminst vanzelfsprekend was dat vrouwen kunstenaars zijn, en waarin vrouwen zich het medium videokunst, dat anders dan schilder- of beeldhouwkunst onbelast was door de geschiedenis, toeëigenden.

De films van Dujourie hebben alle kenmerken van videokunst uit die beginperiode: zwartwit, vast camerastandpunt, precieze, statische encadrering, real time. In Spiegel poseert de kunstenaar als klassiek naaktmodel, staand naast een schoorsteen. We zien de scène geprojecteerd in een smalle spiegel, zodanig dat het monitorbeeld een drieluik is. In Sonnet drentelt zij heen en weer voor de ramen van een Art Nouveau-serre, de serre fungeert als een drieluik waarin de vrouw doorheen beweegt. Ze rookt een sigaret, kijkt naar buiten, haar beeld weerspiegeld in het raam, zonlicht gefilterd door het gebladerte in de tuin. Opnieuw die nutteloosheid, het wachten en dromen, in zichzelf gekeerd zijn.

Deze films zijn het beste werk in het oeuvre van Dujourie. De encadrering, het raamwerk dat aanvankelijk gevuld is met wachten, met dagdromen en erotische fantasie, wordt gaandeweg leger. Totdat uiteindelijk niets dan het kader overblijft. Vanwege deze nadruk op de omlijsting is het ruimtelijk werk van Dujourie eerder verwant met schilder- dan met beeldhouwkunst. Zware fluwelen stoffen, opera-achtig gedrapeerd over vergulde lijsten of opgehangen aan een geprepareerd doek, herinneren aan schilderijen van Anthonie van Dyck of Rubens. In de Kabinetten, kleine kijkkastjes van ijzer op hoge fragiele poten, zijn breekbare draperieën van wit gips geëtaleerd, en gipsen draperieën hangen over zwarte tafeltjes (Nature Morte). De meest recente werken zijn `portretten', elegante constructies van ijzerdraad, opgehangen aan de muur.

Dujourie creëert (met uitzondering van de videofilms) keer op keer een toneel waar nooit een stuk wordt opgevoerd. Er is een sfeer van weemoed en pathos, zonder dat duidelijk wordt waar deze pathos over gaat. Dit werk zit vol met literaire verwijzingen, zoals de titels duidelijk maken – `In mijn nacht nadert niemand', `De ochtend zal de avond zijn' – maar die verwijzingen suggereren een betekenis of een inhoud die er niet is. Het enige dat er is, is een gevoel van verpletterende leegte.

Lili Dujourie. Overzichtstentoonstelling in het Paleis voor Schone Kunsten, Koningsstraat 10, Brussel. Tot 4 september.

    • Janneke Wesseling