De toon van de wet

Als minister Donner (Justitie, CDA) stelt dat het op peil houden van het publieke debat `een zaak is van ons allen' heeft hij groot gelijk. Als burger en als politicus heeft hij ook recht op zijn `grote zorg over de manier waarop in Nederland het debat wordt gevoerd'. Maar een nieuwe strafwet is geen middel om uiting te geven aan die zorg. Zijn wetsvoorstel tot strafbaarstelling van het `verheerlijken, vergoelijken, bagatalliseren en ontkennen' van internationale misdrijven en terreur is niet alleen overbodig maar ook vaag. Zo'n strafwet kan zodanig worden misbruikt dat mensen die anders denken dan de autoriteiten worden vervolgd.

Er zijn al meer dan genoeg wetten tegen ongeoorloofde uitspraken van mensen. Zo zijn er strafbepalingen tegen opruiing, tegen discriminatie, tegen het aanzetten tot haat en geweld en tegen belediging. Met deze artikelen kunnen mensen die tot terreur (een extreme vorm van verboden geweld) oproepen al worden aangepakt. Dat Donner daar nog een artikel bij wil, kennelijk om de toon van het debat naar zijn inzichten te verbeteren, maakt wantrouwig.

Donners wetsvoorstel is zo ruim geformuleerd dat een debat over de oorzaken van terreur onmogelijk kan worden gemaakt. `Bagatalliseren' betekent volgens de memorie van toelichting op de wet namelijk `de ernst van een misdrijf ontkennen of relativeren'. Er bestaat veel verschil van mening over wat terreur is. Zijn mensen die de daden van de Afghaanse Talibaan ook na afloop van de strijd tegen de Russische bezetters zijn blijven steunen plotseling strafbaar? Hoe zit het met Nederlandse Turken die geheel in lijn met de Turkse regering de vroegere massamoord op de Armenen ontkennen? Het gaat te ver om dat oordeel aan de smaak van de justitiële autoriteiten over te laten. En het gaat niet om een academische kwestie. Justitie heeft eerder ingegrepen bij het uiten van onwelgevallige meningen. Nog niet zo lang geleden werden Nederlanders justitieel onderzocht of zelfs bestraft omdat ze riepen dat ze Nederland `vol' vonden of omdat ze een verband legden tussen criminaliteit en immigratie. Internationaal gezien waren dat unieke zaken.

Uiteraard moeten haat zaaien en opruiing door moslimextremisten, die nu het grootste gevaar vormen, worden aangepakt. Imams en internet-publicisten die in Nederland oproepen tot geweld en terreur kunnen, voorzover achterhaalbaar, worden vervolgd met de bestaande wetsartikelen. Buitenlandse imams kunnen ook worden uitgezet. Toch kunnen strafbare imams niet gemakkelijk uit hun `ambt' worden ontzet, zoals Donner voorstelt. Het `ambt' van imam heeft in de islam minder officiële status dan het ambt van pastoor of dominee.

Er zijn morele en er zijn wettelijke grenzen aan de vrijheid van meningsuiting. Over morele grenzen kan worden gedebatteerd, de wettelijke grenzen moeten worden gerespecteerd. Wie beide soorten grenzen door elkaar haalt, streeft naar een onvrije samenleving. De toon van het debat is minder zorgwekkend dan de toon van dit wetsvoorstel.