Bush wil niet praten over terugtrekken

De Amerikaanse president George W. Bush heeft gisteren afstand genomen van recente speculaties over snelle terugtrekking van Amerikaanse troepen uit Irak.

,,We zijn in oorlog. We hebben te maken met een meedogenloze vijand. Als we een tijdspad (voor inkrimping) openbaar maken, zal de vijand daar zijn tactiek op afstemmen'', zei Bush. Hij reageerde op het nieuws dat gisterochtend veertien Amerikaanse mariniers en hun tolk bij de Iraakse stad Haditha om het leven kwamen toen hun voertuig werd opgeblazen door een bom. Ook in de buurt van Haditha, ruim 200 kilometer noordwestelijk van Bagdad, kwamen eerder deze week al zeven mariniers om.

Bush sprak van een ,,wrede herinnering'' aan het feit dat de VS nog steeds in oorlog zijn. De opstandelingen ,,willen dat wij ons terugtrekken. Zij zullen daarin niet slagen. Zij doorgronden het karakter en de sterkte van de VS niet'', zei hij.

Ook in juni weigerde Bush in een radiotoespraak een datum te noemen waarop terugtrekking van Amerikaanse troepen zou kunnen beginnen. Dat zou de rebellen alleen maar in de hand werken, zei hij. Maar vorige week zei de Amerikaanse commandant in Irak, generaal George Casey, dat troepenreductie volgend jaar ,,lente of zomer'' mogelijk is, indien het politieke proces in Irak zich gunstig blijft ontwikkelen en Iraakse veiligheidstroepen zelf in staat zijn de veiligheid in het land te waarborgen. Leidinggevende Amerikaanse officieren in Irak hebben nadien benadrukt dat dat laatste een absolute voorwaarde is, en dat het veel te voorbarig is om te speculeren over terugtrekking.

De ontwikkeling van het `politieke proces' in Irak is afhankelijk van het beraad over de nieuwe grondwet. Uiterlijk 15 augustus moet het parlement daarover stemmen, maar er bestaan nog steeds grote meningsverschillen over de inhoud. Vooral over de afbakening van regionale autonomie (zoals voor de Koerden, en de shi'ieten in het zuiden) en de rol van de islam (als een bron of als de bron voor wetgeving) zijn de etnische en religieuze partijen het niet eens.

Intussen hebben sunnieten, die slechts 20 procent van de bevolking uitmaken maar onder Saddam een gepriviligeerde rol speelden, opnieuw geklaagd over tegenwerking. Twee weken geleden werd de sunnitische geestelijke Adnan Al-Dulaimi ontslagen als hoofd van de Sunni Endowment, het overheidsbureau dat verantwoordelijk is voor het onderhoud van sunnitische moskeeën en heiligdommen. Volgens Dulaimi, die de sunnieten heeft opgeroepen straks wel aan de verkiezingen deel te nemen, heeft zijn ontslag te maken met zijn campagne tegen willekeurige arrestaties en foltering van sunnieten. Gisteren vielen Amerikaanse troepen zijn huis binnen en werd hij naar eigen zeggen gemolesteerd. De belangrijkse sunnitische partij, de Iraakse Islamitische Partij, noemde de inval ,,onderdeel van een serie pogingen om sunnitische leiders te temmen''.