Suïcidalen hebben baat bij `gedachtentherapie'

Mensen die een zelfmoordpoging overleefden hebben baat bij een kortdurende cognitieve therapie. Het aantal mensen dat binnen anderhalf jaar opnieuw een poging tot zelfdoding doet daalt van de helft naar een kwart, bij een vergelijking met mensen die de reguliere nazorg na een zelfmoordpoging kregen. Mensen die tien sessies cognitieve therapie kregen voelen zich ook minder depressief.

Dat blijkt uit Amerikaans onderzoek van psychiaters en artsen op de afdeling spoedeisende hulp van de universiteit van Pennsylvania. De onderzoeksresultaten zijn vandaag gepubliceerd in het vooraanstaande medisch-wetenschappelijke tijdschrijft Journal of the American Medical Association.

Bij cognitieve therapie wordt afgezien van diepgaande therapeutische analyse van het verleden van de cliënt. Hoofdmoot van de tien sessies durende therapie was het opsporen van de gedachten, beelden, en beleefde normen en waarden die direct aan de zelfmoordpoging vooraf gingen. Vervolgens werden de deelnemers getraind om die gedachten op zo'n manier te veranderen dat die niet in een nieuwe zelfmoordpoging zouden resulteren. Ook gingen de therapeuten in op kwetsbaar makende factoren als hopeloosheid, slechte impulscontrole, sociale isolatie en het niet slikken van kalmerende medicijnen.

De onderzoekers volgden anderhalf jaar lang 120 mensen die een zelfmoordpoging overleefden. Zestig van hen – door het lot aangewezen – kregen vervolgens cognitieve therapie aangeboden. Dit is een zogenaamde gerandomiseerde studie en het is voor het eerst dat cognitieve therapie op deze zorgvuldige manier bij zelfmoordplegers werd onderzocht.

Alle 120 deelnemers kregen de gebruikelijke nazorg. Die hield in dat een begeleider wekelijks tot maandelijks contact zocht en doorverwees naar bestaande hulporganisaties, zoals sociale dienst, verslavingszorg, kerkelijke organisaties en geestelijke gezondheidszorg. Zo mogelijk hadden de begeleiders ook contact met familie en andere relaties.

Van de zestig mensen die door het lot werden aangewezen voor cognitieve therapie deden er dertien een nieuwe poging tot zelfdoding. In de groep die `traditionele zorg' kreeg, probeerden 23 mensen zich nog een keer van het leven te beroven. Bij één deelnemer in de traditionele-zorggroep slaagde de zelfmoordpoging.

In het algemeen gaat cognitieve gedragstherapie ervan uit dat er een verband is tussen gevoel, gedachten en gedrag. Ander gedrag leidt tot een ander gevoel en andere gedachten, en omgekeerd. Bij gedragstherapie leert iemand zijn gedrag te veranderen en daarbij blijkt vaak ook een gevoel (angst bijvoorbeeld) te veranderen. Mensen komen op die manier bijvoorbeeld van hun spinnenfobie of pleinvrees af. Bij cognitieve therapie wordt de kennis over en de ervaring van gedachten behandeld, wat dan moet leiden tot ander gedrag. Dat blijkt nu ook bij zware problematiek, zoals zelfmoordpogingen, te helpen.