Irak is geen hopeloos geval

Amerika moet doorgaan een Iraaks leger op te leiden en een Iraakse regering te steunen, meent David Ignatius.

Twee weken geleden kreeg ik een akelig bericht van Talal Gaaod, een soennitische vriend van mij uit Irak. Het baarde me zorgen, want Gaaod heeft zich de afgelopen twee jaar volop ingezet voor soennitische steun aan de nieuwe Iraakse regering. Maar nu het land deze zomer steeds dieper in anarchie is weggezonken, dreigt Gaaod de moed te verliezen.

Zijn ongepolijste e-mail zegt meer dan honderd gelikte rapporten van het Pentagon. ,,Het politieke proces en het Amerikaanse project – het is mislukt'', schreef Gaaod. ,,Heus, er hoeft geen cent van de Amerikaanse belastingbetaler en geen druppel bloed van de Amerikaanse jongelui meer te worden verspild.'' Hij voegde eraan toe: ,,Doorgaan met de democratisering en intussen het land veiliger maken, het is een hersenschim.''

Volgens Gaaod is het geweld zo buitensporig geworden dat over politieke oplossingen niet meer te praten valt, in elk geval niet op de korte termijn. Het onvermogen van de Amerikaanse strijdkrachten om de opstand te bedwingen heeft de gewone soennieten vrees ingeboezemd en ze van hun stuk gebracht. Het enige wat de opstandelingen nog niet hebben zijn pantserwagens, maar Gaaod vreest dat ze die binnenkort ook nog wel zullen krijgen.

De meest pragmatische oplossing is volgens Gaaod de noodtoestand, waarbij gelijke aantallen generaals van soennitische, sjiitische en Koerdische afkomst belast zouden worden met de veiligheid. De militairen zouden samenwerken met een regering van bureaucraten. Zolang de orde niet is hersteld, benadrukt deze Iraakse zakenman, heeft het geen zin om voor dit land naar iets hogers te streven.

Het verontrustende aan dit recente pessimisme van Gaaod is dat hij heeft geprobeerd contact te leggen tussen Amerikaanse functionarissen en de soennieten in het westen van Irak. Net als de meeste Iraakse soennieten heeft hij betrekkingen gehad met het regime van Saddam Hussein, maar sinds dat ten val is gebracht heeft hij Amerikaanse functionarissen geholpen conferenties voor soennitische leiders te organiseren in Amman in Jordanië, waar hij nu woont. Samen met geallieerde stammen binnen Irak heeft hij verzoeningsbijeenkomsten in Fallujah, Mosul en Ramadi helpen opzetten. Maar die pogingen hebben geen succes gehad. In sommige gevallen hebben Amerikaanse militairen juist de soennitische leiders die Gaaod aan de vergadertafel probeerde te krijgen, gearresteerd of neergeschoten.

De noodklok luidt in Irak deze zomer. Ik ben het niet met Gaaod eens dat we het democratiseringsplan nu moeten laten varen. Ook geloof ik niet dat de regering-Bush zou moeten afzien van haar basisstrategie om Iraakse veiligheidstroepen op te leiden om het van de Amerikaanse troepen over te nemen. Maar de stilzwijgende boodschap van het bezoek van minister van Defensie Donald Rumsfeld aan Irak deze week was dat Amerika's tijd, geld en geduld in Irak niet onbeperkt zijn. De Irakezen moeten zich vermannen en hun eigen oplossingen vinden.

Goed ingevoerde waarnemers zien nieuwe redenen tot bezorgdheid. John Burns van de The New York Times opperde onlangs dat de burgeroorlog in Irak misschien al begonnen is, met de soennitische zelfmoordaanslagen tegen sjiitische doelen, en de antisoennitische doodseskaders die sjiitische milities zouden hebben opgezet. Michael Young, de opinieredacteur van The Daily Star, schreef op donderdag 28 juli een column getiteld `Bereid je voor op een schipbreuk in het Midden-Oosten', waarin hij maande: ,,Het Amerikaanse avontuur in Irak – creatief, stoutmoedig en in aanleg revolutionair – dreigt te bezwijken onder het gewicht van een soennitische opstand die kracht put uit het feit dat het de regering-Bush veelal niet is gelukt om de naoorlogse stabilisatie en wederopbouw in goede banen te leiden.''

Een geschikte vuistregel voor Irak is dat de toestand nooit zo goed is als hij op gunstige momenten lijkt, en nooit zo slecht als hij lijkt wanneer het tegenzit. Ook dan ziet het er op het moment verdraaid slecht uit. De Amerikaanse functionarissen moeten eens goed nadenken of hun strategie voor de stabilisatie van het land werkelijk iets uithaalt.

Pessimisten beweren steeds vaker dat Irak misschien wel de kant opgaat die Libanon in de jaren zeventig is gegaan. Ik hoop van niet, en ik hoop dat Irak een burgeroorlog zal weten te vermijden. Maar men dient zich te realiseren dat zelfs `libanonisering' nog niet het einde van het verhaal zou zijn. Toen leger en politie geen veiligheid konden bieden, namen de Libanezen hun toevlucht tot sektarische milities. Toch heeft Libanon tijdens de meer dan vijftien jaar durende burgeroorlog steeds een president, een premier, een parlement en een leger gehad. Terwijl de strijd tussen de sekten woedde, stond het land in feite op non-actief. De nationale identiteit heeft het overleefd, en heeft zich dit voorjaar weer uitbundig gemanifesteerd in de `ceder-revolutie', toen de Syrische troepen werden verdreven.

Wat in Irak gaat gebeuren, zal afhangen van wat de Irakezen besluiten. Zo'n besluit is bijvoorbeeld of het Iraakse volk wil dat de VS blijven helpen bij de wederopbouw van het land. Op dit moment moet Amerika doorgaan een Iraaks leger op te leiden en een Iraakse regering te steunen – ook al lijken die instellingen soms illusoir. Irak is een gekweld land, maar het voorbeeld van Libanon suggereert dat met geduldige bijstand zijn instellingen deze nachtmerrie zullen kunnen overleven.

David Ignatius is columnist. © Daily Star (Libanon)/The Washington Post Writers Group.