Griezelen in de metrotunnel

Er is een heleboel van de gebruikelijke horror-onzin te koop in Creep. Er is een zinloos monster, er is een blond meisje dat gilt en rent, er zijn ratten, donkere plekken, tunnels met op de juiste plekken water en vlijmscherpe pinnen waar precies een hoofd op past. Er is bloed, onredelijk veel bloed, dat soms wel op de camera gesmeerd lijkt te worden. Het is een en al flauwekul en dat die zich afspeelt in het Londense metrosysteem is na de aanslagen van vorige maand bijna heiligschennis. En toch.

Toch zitten er zoveel echte filmmomenten in Creep dat je de flauwekul, de false suspense, het bloed en de ratten maar voor lief moet nemen en kijken naar wat debuterend regisseur Christopher Smith in huis heeft, zodat je later kunt zeggen: ik heb zijn eerste film nog gezien.

Het net iets verlopen, maar toch aantrekkelijke blonde feestbeest Kate (een aanvankelijk moeilijk te herkennen Franka `Lola rennt' Potente) raakt verzeild in de metro na sluitingstijd en dat gebeurt met zo'n echt filmmoment. Ze wacht op een bankje van een druk station op de laatste trein. 8 minuten nog, meldt het bord. Ze neemt een teug uit een drankflesje, kijkt naar een jongen die smerig zit te eten, kijkt naar de ratten op het spoor, humt wat en dan zegt het bord: nog 6 minuten. Ze doezelt even weg op het geluid van de mensen en de wind in de tunnels. Als ze haar ogen opendoet – in filmtijd een kwestie van seconden – hoort ze de trein in de verte wegwaaien en is het platform leeg.

Nu moeten we met Kate mee de tunnels in. Ze is een eersteklas sekreet, dat laat ze van de eerste tot de laatste egocentrische minuut van haar optreden zien. Alleen dat maakt Creep al een echte horrorfilm. In een drama zou het lot van zo'n naar mens ons koud laten en zou de film mislukt zijn. De personages in een horrorfilm vragen niet om medeleven. Wij moeten alleen maar samen met hen bang worden. Het kan daarbij helpen als we de slachtoffers aardig vinden, maar ook een klootzak die door een monster wordt afgeslacht, wordt afgeslacht.

De keerzijde is dat Smith van zijn decors beter gebruikmaakt dan van de mogelijkheden die in zijn personages schuilen. Zij lopen eigenlijk vooral rond te rennen tot het moment dat ze, op een enkele uitzondering na, vermoord worden. De metro is een prima plek voor angst. Verwaaide pijnkreten en het geratel van ijzer vormen de achtergrondgeluiden. De tunnels zien we meestal alleen opflakkeren in het licht van zaklantaarns, de betegelde stations zijn juist overgoten met flets neon. Nergens kun je je hier op je gemak voelen – als personage niet en als kijker niet. Als je even denkt van wel, in het gerieflijke hokje van de beveiligingsbeambte, word je direct ruw uit de droom gehaald.

Het wordt allemaal wat minder als Smith halverwege de film het monster zelf toont, dat bij al zijn boosaardigheid een aandoenlijk freakje blijkt te zijn. Dan slaat de film om van eng naar gruwelijk. Van geluid naar beeld. Toch volgt dan nog het allerakeligste echte filmmoment in Creep, perfect-triviaal vergeleken met de bloederige moorden die we ook zien. Als Kate, altijd aan het rennen, eens is gevallen, inspecteert ze daarna haar vingers. Een nagel is half afgebroken. Ze haalt hem van haar vinger. De pijn die zij dan moet voelen, snijdt ons dwars door het filmdoek heen door de ziel.

Creep is lekker goedkoop gemaakt. Hij ruikt daardoor naar perfecte horrorfilms als The Blair Witch Project, The Texas Chainsaw Massacre of Evil Dead. In Engeland waren de critici maar matig enthousiast en werd de vraag opgeworpen of de Britse tegenhanger van het Filmfonds wel geld moet steken in zulke films. Ja, natuurlijk. Als de maker ervan maar kan filmen.

Creep. Regie: Christopher Smith. Met: Franka Potente, Paul Rattray, Vas Blackwood, Sean Harris, Kelly Scott. In: 20 bioscopen.