Bakshish

Een ijsbeer die pinda's bedelt? De dierentuin van Kairo biedt vele verrassingen.

Wij zijn in Egypte voor de bezienswaardigheden, maar in de rij voor de dierentuin van Kairo blijkt dat we zélf een bezienswaardigheid zijn. Om te bewijzen dat niets menselijks ons vreemd is, hurkt mijn vrouw zodra we aan de beurt zijn onder de streep bij de kassa die aangeeft tot welke lengte je gratis naar binnen mag. Het levert een spontaan applaus op. Ik hoef zelfs geen kaartje voor haar te kopen.

Hoewel we zo verstandig zijn geweest het advies ter harte te nemen om toch vooral in een groep Egypte te bezoeken, hebben we reikhalzend uitgekeken naar deze `vrije dag'. Het is een verademing om even verlost te zijn van de anderen en ook van de souvenirverkopers, die zich in Egypte wel heel erg opdringen. En dan die ongekende toegangsprijs: Only twinty five piasters for Egyptians, Arabians and foreigners staat op het bordje. Dat is nog geen dubbeltje oud geld!

Eenmaal binnen realiseren we ons dat we met liefde het honderdvoudige hadden betaald, als dat had kunnen helpen de verloedering te keren. De dagjesmensen en hun kinderen mogen dan smetteloos gekleed gaan: de hele dierentuin zit onder de poep van talloze koereigers. Erger is dat er dieren hongerlijden. Ooit een ijsbeer gezien die om pinda's bedelt? Ga naar Kairo.

Op de apenrots leven naast de apen hele kattenfamilies, die onafgebroken worden belaagd. Ze kunnen geen kant uit. Een oude Egyptenaar maakt ons met niet mis te verstane gebaren duidelijk hoe het eraan toegaat als de apen het weer eens op hun heupen krijgen en de katten worden besprongen. Hij doet zelfs het hartverscheurend gekrijs na dat dan van de rots opstijgt. Als dank voor de moeite geven we hem bakshish, de in Egypte gebruikelijke beloning voor bewezen diensten.

Op het moment dat we besluiten het voor gezien te houden, komt er een jongeman op ons af, die bij wijze van aanbeveling vertelt dat hij een koptisch christen is. Hij wil ons graag de weg wijzen naar de wilde dieren. Om hem niet voor het hoofd te stoten lopen we met hem mee. Alsof het een privilege is, laten de oppassers ons de donkere binnenverblijven van het roofdierenhuis zien, waar schuwe tijgers en poema's langs de tralies sluipen. Twee oppassers porren een oude, halfblinde leeuw met stokken in de hoop op reacties van het dier, en bakshish van ons. Terwijl het arme beest in elkaar krimpt, schudden de mannen hun hoofd, omdat we hen afschepen met een paar piaster. ,,Little money'', protesteren ze.

De jonge kopt staat buiten op ons te wachten. Hij ziet dat we ontdaan zijn en vraagt vol begrip: ,,Vielen ze die arme dieren weer lastig? Dat doen ze altijd, ze zijn onverbeterlijk, zulke dingen doen wij kopten nooit, wij zijn christenen.'' Blijkbaar is deze goede beurt nog niet genoeg, want in één adem door vraagt hij mijn vrouw ten huwelijk. We hadden al eerder gehoord dat dit hier de gewoonte is, maar kijken er toch gek van op. Gerarda moet lachen, maar ik word kwaad.

,,Zie je niet dat het mijn vrouw is?''

,,Jawel, maar je kunt hier makkelijk scheiden.''

,,Waarom zou mijn vrouw met jou willen trouwen?''

,,Omdat ik veel jonger en knapper ben.''

Ik wil dat hij meteen ophoepelt, maar Gerarda zegt met een fijn lachje: ,,Waarom, die jongen is gewoon verliefd op mij, leuk toch, dat was jij vroeger ook.''

Ze gaat zelfs zover dat ze de jonge kopt uitnodigt voor een drankje. In het restaurant schuif ik tegen heug en meug aan. Net als alles hier ziet ook het restaurant er armoedig uit. Dat neemt niet weg dat er bij het afrekenen Hilton-prijzen moeten worden betaald. Zo exclusief zijn toeristen in de dierentuin van Kairo dus ook weer niet.

Ik wil alleen nog maar weg. De jongeman is graag bereid ons helemaal naar de uitgang te leiden. Voor bakshish uiteraard. Gerarda overhandigt hem achteloos een stapeltje Egyptische ponden.

,,Hoeveel heb je die gast gegeven?'' wil ik weten, terwijl we naar de taxistandplaats lopen. ,,Genoeg'', zegt ze.

,,Hoezo genoeg?''

,,Genoeg voor een bruidsschat.''