Winnaars ontbreken in zwemploeg

Slechts één medaille won Nederland bij de zondag afgesloten wereldkampioenschappen zwemmen in Montréal: de prijs van de verwaarlozing.

Dag twee van het langebaantoernooi (50 meter) bij de wereldkampioenschappen zwemmen in Montréal was amper begonnen of Jacco Verhaeren liet zijn hart spreken. ,,Hij heeft een schop onder zijn kont nodig'', meende de technisch directeur van het Nationaal Zweminstituut Eindhoven. En: ,,Dit leek meer op recreatief zwemmen.''

Nu is het woord van de oud-rugslagzwemmer uit Rijsbergen niet heilig, maar Verhaeren lijdt niet aan de kwaal waar veel collega-coaches last van hebben: het uit eigen belang verdoezelen van de waarheid. Hij zei, niet voor het eerst, waar het op stond en het lijdend voorwerp was ditmaal een van zijn eigen pupillen, de op de 200 meter vrije slag debuterende Thomas Felten.

Verhaeren kon toen nog niet weten wat zich later die week zou aftekenen, al vermoedde hij het wel. Nederland, zeventien sportmannen en -vrouwen sterk, bewees de aansluiting met de wereldtop kwijt te zijn. Winnaarstypes? Ze ontbraken. Zes finaleplaatsen, zeven persoonlijke en nul Nederlandse records bedroeg de schamele oogst alleen `Rome 1994' was nog beroerder, met slechts drie finaleplaatsen en één nationaal record.

Ditmaal zorgde Marleen Veldhuis op de slotdag voor een doekje voor het bloeden met haar zilveren medaille op de 50 meter vrije slag. Maar die prestatie kon niet verhullen dat `Nederland Zwemland' schipbreuk leed zonder de twee boegbeelden, Pieter van den Hoogenband (revalidatie na hernia-operatie) en Inge de Bruijn (sabbatical). Het veiligstellen van een plaats in de halve finales bleek in Canada al een hele opgave.

Onbegrijpelijk was de klassieke beginnersfout die Veldhuis, inmiddels toch geen groentje meer, vrijdag maakte in de finale van de 100 vrij. Als een kip zonder kop ging ze van start. Twintig meter na het keerpunt volgde de even pijnlijke als logische afrekening: de oud-waterpoloster zonk bijna naar de bodem van het bassin. Het was de tol van de verzuring, de tol van de overmoed, de tol ook van het gebrek aan een strategie.

Het was een dure misser, de tweede nadat ze in de halve finales de handrem ook al niet had kunnen vinden. Haar blunder was des te wranger wegens het tijdstip: in een post-olympisch seizoen wordt doorgaans minder hard gezwommen dan in de twee jaar voorafgaand aan de Olympische Spelen. `Montréal' leverde weliswaar negen wereldrecords op, maar de vorige editie (Barcelona 2003) was goed voor vijftien mondiale toptijden.

Veldhuis is `al' zesentwintig. Zoveel kansen krijgt ze niet meer. Maar met een onvoorwaardelijk trainingsinzet (en dus meer inhoud) valt veel goed te maken, meent de sprintster. Het lijkt daarnaast vooral een kwestie van de juiste keuzes (durven) maken. Een zwemmer of zwemster die de 200 vrij laat versloffen, moet niet vreemd opkijken als de brandstoftank op driekwart van de race leeg is. De dubbele sprintafstand is de katalysator van het koningsnummer. Van den Hoogenband kan dat beamen.

Ook Inge Dekker sprak zichzelf moed in: ,,Als ik mezelf een rapportcijfer mag geven dan is dat toch een acht.'' Nu viel de 19-jarige Friezin met drie persoonlijke records weinig te verwijten, maar haar berusting gaf te denken. Ze was ,,toch maar mooi zesde van de wereld'' op de 100 vlinder, betoogde ze, en ,,daar had ik vooraf voor getekend''. Wie zo snel tevreden is, moet vrezen nooit het erepodium te beklimmen. Alle aansporingen van De Bruijn (,,Haar tijd komt nog wel'') aan het adres van Inge II ten spijt.

Al even bemoedigende woorden sprak teammanager René Dekker. Zo bar en boos was het allemaal niet. ,,De talenten weten nu wat ze waard zijn en wat ze moeten doen om er over drie jaar wél te staan. We wisten dat er niet al te veel resultaten konden worden verwacht. Nu nemen we dat nog voor lief. Ze mogen nu nog verzuipen.'' En hij kon het weten, de zwemtrainer die elf jaar geleden optrad als bondscoach van de negen koppen tellende ploeg, die destijds anoniem ronddobberde in Rome.

En dus ja, het experiment met de zes debutanten was geslaagd, aldus Dekker. Maar hoezo geslaagd? Omdat Lennart Stekelenburg (19) na zijn voortijdige uitschakeling op de niet-olympische 50 meter schoolslag tot het inzicht kwam dat ,,mijn niveau hier helemaal niks voorstelt''? Alsof hij dat nog niet wist. Of het experiment geslaagd is, blijkt pas volgend jaar bij de Europese kampioenschappen langebaan in Boedapest en niet bij de komende EK op de niet-olympische kortebaan (25 meter) in Triëst (december).

Ook andere landen gooiden hun jeugdig talent in Montréal voor de leeuwen. In de Verenigde Staten mag dan de macht van het getal regeren, maar wat te denken van Katie Hoff? Zestien lentes jong nog maar en bij haar debuut op een wereldkampioenschap winnares van drie gouden medailles: 200, 400 wissel en 4x200 vrij. Of van Pawel Korzeniowski, de pas 20-jarige Pool die bij zijn WK-debuut prompt zegevierde op de loodzware, maar `trainbare' 200 meter vlinderslag?

Talentontwikkeling is sinds kort het bewierookte wapen, waarmee Nederland de achterstand de komende jaren denkt goed te (kunnen) maken. Het wiel is dus opnieuw uitgevonden langs de badrand. Door een bond die de topsport uit arren moede maar weer in eigen beheer heeft genomen en die zich op de golven van de Sydney-successen (vijfmaal goud bij de Olympische Spelen van 2000) in slaap liet wiegen.

In plaats van verkeerde keuzes werden überhaupt geen keuzes gemaakt.