Oudemannenzaak

De koning is dood, leve de koning. Saoedi-Arabië had alle tijd om de opvolging van de zieke Fahd Ibn Abdel Aziz door zijn halfbroer kroonprins Abdullah naar behoren te regelen. Abdullah, net als Fahd een bejaard man, bestuurt Saoedi-Arabië al sinds koning Fahd in 1995 een beroerte kreeg. De nieuwe kroonprins is de minister van Defensie, prins Sultan Ibn Abdel Aziz, geboren in 1928. Zo blijft het Saoedische leiderschap voorlopig een oudemannenzaak. Daar is weinig op tegen, ware het niet dat het land door zijn ligging in een instabiele regio, de olie, de band met de Verenigde Staten, Mekka en Medina als centra van een wereldgodsdienst en door de vermoedelijke rol van Saoediërs bij het terrorisme om bestuur vraagt dat toekomstige uitdagingen aankan. Van de nieuwe koning en van zijn kroonprins is waarschijnlijk niet veel meer te verwachten dan wat de achterliggende jaren boden. Het is de vraag of dat genoeg is, gelet op de dynamiek van de materie en het onbeheersbare karakter ervan.

De steenrijke Saoedische heersers worden gegijzeld door de pacten die zij of hun familie ooit sloten. Voor het binnenlands bestuur is de in westerse ogen vergaande overeenkomst met de geestelijkheid van belang. Van een scheiding tussen moskee en staat is geen sprake. De clerus kijkt de heersers op de vingers en bepaalt in wezen het tempo van de politieke hervormingen. Dan is er het pact met Washington, dat sinds jaar en dag Saoedi-Arabië wapentuig en militaire bescherming biedt in ruil voor een gegarandeerde oliestroom. Volgens president George W. Bush zijn vrijheid en democratie de beste remedies voor vastgelopen dictaturen en autocratieën in het Midden-Oosten. Hij noemt landen als Syrië en Iran, maar verzuimt vaak het autoritair bestuurde Saoedi-Arabië te noemen, een bondgenoot die veel te lang ongemoeid is gelaten in de strijd tegen de terreur. Reden: de allesoverheersende olie- en economische belangen.

De dood van koning Fahd leidde gisteren tot een stijging van de olieprijs. De markt houdt kennelijk rekening met toenemende instabiliteit. Het koninkrijk doet of er niets aan de hand is en trekt zijn eigen, schijnbaar onverstoorbare lijn. Maar het regime heeft geen antwoord op de groeiende kloof tussen arm en rijk in het land, op de toenemende werkloosheid bij de jonge bevolking en radicalisering onder moslims. Tussen die drie zaken is een direct verband. Oude en verstarde leiders klampen zich vast aan hun macht en rijkdom, en aan de deals die zij of hun voorvaders hebben gesloten. Ze dreigen de aansluiting met hun volk te missen. Dat snakt naar meer banen, meer welvaart, beter onderwijs en een grotere vrijheid.

Koning Abdullah zal het tempo en de maat van de politieke hervormingen die hij tot nu toe realiseerde – naar westerse maatstaf uiterst bescheiden – moeten opvoeren wil hij geloofwaardig blijven in binnen- en buitenland. De veranderingen zullen voornamelijk van binnenuit moeten komen. Dat het Westen belang heeft bij een stabiel Saoedi-Arabië laat zich raden. Pressie kan helpen, maar het zou goed zijn – zeker voor Amerika – meer afstand tot het land te houden en de economische afhankelijkheid te verminderen voordat dit nog eens onder gewijzigde omstandigheden eenzijdig vanuit Riad wordt opgelegd.