Le journal d'une femme de chambre

Jeanne Moreau, een kamermeisje? In geen honderd jaar. Dienstbaarheid heeft ze niet in zich en het zal zelfs haar niet snel lukken om dat te spelen. Ze heeft er de ogen niet voor, zoiets acteert ook een groot actrice niet een twee drie weg. Zelfbewust staan die ogen. Slaat Moreau ze neer, dan staan haar wangen nog op wie-doet-me-wat en haar mond op cynisme. Een kamermeisje als zij zou binnen een dag worden ontslagen wegens insubordinatie. En toch speelt ze er een, in Le journal d'une femme de chambre (Dagboek van een kamermeisje, 1964) van de Spaanse cineast Luis Buñuel.

Buñuel was een overtuigd surrealist. In al zijn films slaat hij een deuk in de werkelijkheid. Hij verfrommelt hem wat of hij draait hem een paar graden, nooit veel, maar altijd net genoeg om ons, lafbekken die die werkelijkheid graag overzichtelijk houden, ernstig te verontrusten.

Jeanne Moreau is interessant. Ze is sterk. Ze is op een ongebruikelijke manier knap en op een voor de hand liggende manier sensueel. Ze beweegt stijfjes en haar mimiek is hypergevoelig. Ze heeft een grafstem en strakke kuiten. In 1964 was ze (geb. 1928) geen jong ding meer. Geef toe, wie had de surrealist Buñuel anders moeten vragen voor de rol van zijn kamermeisje dan juist Jeanne Moreau? Le journal speelt zich af in de jaren dertig, op de Franse campagne. In een hoog-bourgeois landhuis wordt in de salon een leeg leven geleid door een frigide vrouw en haar navenant gefrustreerde echtgenoot. In de keuken predikt de jachtopziener het antisemitisme. Uit Parijs arriveert het nieuwe kamermeisje: Marie (klinkt bijna als Moreau, maar dat zal een geval van surrealistisch toeval zijn).

,,Deze lamp komt helemaal uit Londen, wil je er erg voorzichtig mee zijn, Marie?'' ,,Zeker mevrouw.''

Pàts. De lamp gaat aan scherven, dat spreekt. Ontslag volgt niet, want de bejaarde vader van Madame is een schoenenfetisjist die het kamermeisje geen dag kan missen. ,,O doe deze lieve laarsjes even aan, alsjeblieft.'' ,,Bien sûr, m'sieu.'' Het kamermeisje onderdrukt een geeuwtje.

Madame's echtgenoot, een van wellust bevende Michel Piccoli, raakt ook in haar ban. Moreau chagrijnig geboren? Vergeet het maar. Kittig bijt ze van een koekje, koket ontwijkt ze zijn graaiende handen. Nooit wordt ze boos, steeds weert ze hem af. Haar lachjes maken hem gek, hij snuift, de sperma komt zowat uit zijn oren.

Legt ze de hogere klasse in de luren, tegen de lagere klasse legt het kamermeisje het af. In de keuken, in de schuur en op het erf ontmoet ze het echte, doortrapte kwaad in de vorm van redeloos sadisme. Ze bevecht het welgemoed, zet haar lichaam in om het te bestrijden. Het mag niet baten. Het kwaad ligt op koers. Het doet wat het wil, ook het ergste. Het hobbelt in de richting van de aanstaande collaboratie met de nazi's.

Buñuel weet dat het kwaad niet te stuiten is. Het kamermeisje straft zichzelf met lusteloosheid. Een lusteloze Jeanne Moreau, dat doet verdriet.

Dit is het elfde deel van een serie over de films van Jeanne Moreau, naar aanleiding van een retrospectief in het Filmmuseum Amsterdam. `Le journal d'une femme de chambre' (Luis Buñuel, 1964) wordt daar vertoond op 3 en 6 aug.

    • Joyce Roodnat