Kip met walnoten en granaatappelsaus

U houdt van lekker eten. Anders las u dit immers niet. U kent de passie van koken. Misschien leest u wel net als ik graag boeken van schrijfsters waarin vrouwen over de wereld heersen dankzij de brouwsels die ze maken en de verpletterende gerechten die ze bereiden. Een Mexicaanse opende de rij met Rode rozen en tortilla's, nu is het de beurt aan een Iranese: Marsha Meran met haar boek Café Babylon. De Perzische keuken door drie gevluchte zusters geopenbaard aan de inwoners van een Iers dorp.

Dit boek besluit met een lijstje van recepten. Wat mij daarin fascineert zijn ingrediënten waar wij van zijn levensdagen niet aan zouden denken. In dit geval granaatappel. Een ongekende smaakmaker, kan ik inmiddels zeggen. De oorspronkelijke titel van het boek is niet voor niets Pomegranate Soup, granaatappelsoep. Over die soep een volgende keer. Vandaag een recept voor fesenjoon: kip met walnoten en granaatappelsaus. Ik gebruikte granaatappelsiroop uit een Turkse winkel. Voor verse granaatappels moet u tot de herfst wachten.

Neem voor het maken van het gerecht de tijd. Het duurt even voor er voldoende olie uit de walnoten is vrijgekomen om de saus goed te kunnen binden. Wegens de bereidingstijd is het niet verstandig kipfilet te nemen, want die wordt snel droog. Snijd de kip in stukken. Snijd de gepelde uien in halve maantjes. Maal de walnoten in de keukenmachine in een minuut tot korrels (niet tot poeder). Verhit de olie en bak daarin de stukken kip goudbruin. Bak de stukken ui een paar minuten mee en doe er dan de notenkorrels bij. Roer granaatappelsiroop los met een halve liter warm water en schenk het vocht bij de kip. Doe er zout, peper, kurkuma en suiker bij. Laat de stukken kip op laag vuur drie tot vier kwartier koken. Zo nu en dan roeren. Eet er rijst bij.

Bij verse granaatappels: neem vier stuks, snijd ze doormidden, en lepel het zaad in een blender. Laat die draaien tot het vlies om de zaadjes is gebroken. Druk het sap in een zeef uit de zaden. U hebt 3 deciliter sap nodig.

Morgen: tenen van de kip

    • Annelène van Eijndhoven