Fanja

Deel 12. Wat voorafging: Fanja, vrouw op leeftijd in Amsterdam-zuid, verwerkt het verdriet om de dood van een goede vriendin. Op de sociëteit heeft ze Ton ontmoet, een oude kennis die weduwnaar is geworden.

Na die tweede ontmoeting kwam Ton vaker in de sociëteit. Ze gingen dan als vanzelfsprekend bij elkaar zitten en het was duidelijk te merken dat ze blij waren met elkaars gezelschap.

Ton verwelkomde Fanja hartelijk toen zij op een avond binnenkwam. Hij kuste haar op beide wangen en hing haar jas op in de garderobe.

Nadat hij weer naast haar zat zei hij: ,,Ik geloof dat ik een beetje verslaafd aan je begin te raken.''

Fanja glimlachte.

,,Heb je nog goed kunnen werken?'' informeerde Ton belangstellend. ,,Ben je daar erg afhankelijk van, wat je stemming betreft?''

,,Ik zou niet weten hoe ik mijn dagen zou moeten vullen, wanneer dat schrijven er niet zou zijn. Ik kan niet de héle dag lezen. Jij hebt nog contact met je vroegere collega's, maar ik zie overdag niemand. Dat schrijven helpt me om niet steeds naar onprettige herinneringen terug te moeten gaan. Pas in de namiddag ga ik ergens heen om wat met mensen te kunnen praten en te eten. Met anderen gedachten uitwisselen vind ik prettig. Alleen... ik merk nu vaker dat sommige gesprekken me minder boeien. Dat geeft me soms wel weer een wat eenzaam gevoel.''

,,Ach ja'', reageerde Ton met een zucht, ,,ik heb de hoop opgegeven om nog iets van de omgeving te vernemen dat mijn belangstelling wekt.''

Daarna vervolgde hij ernstig: ,,Ik had me daarom ook al behoorlijk teruggetrokken. Jij bent de eerste na lange tijd, met wie ik weer gedachten kan uitwisselen.''

Ongemerkt, zonder dat ze dat hadden afgesproken, werd vrijdag de vaste avond waarop ze elkaar in de sociëteit ontmoetten. Dan maakten ze er iets feestelijks van en praatten langdurig. Ton kwam nu ook steeds vaker door de week.

Hij was er niet meer op teruggekomen dat Fanja's aanwezigheid hem zo beroerde en Fanja had de indruk dat zijn afstandelijker houding wat meer vrijheid, wat meer lucht gaf. Zo konden ze hun vriendschap continueren. Ton liet wel merken hoe graag hij haar mocht door af en toe even over haar hoofd te strijken. Een keer zei hij, met een ontroerde blik: ,,Wat goed om zo rustig samen te kunnen praten.''

Ook Fanja's hand ging soms over zijn arm, wanneer hij iets had verteld dat haar roerde.

Ze realiseerde zich goed dat ze steeds meer om Ton gaf. Ze konden hun samenzijn niet meer missen en keken er dagelijks naar uit. Soms zei hij zacht ,,Famjoesja'', nadat hij van haar had gehoord dat ze vroeger in Polen zo werd genoemd.

Van deze aandacht, die ze al zoveel jaren had gemist, genoot Fanja.

Op een avond vroeg Ton of ze de volgende keer mee wilde gaan naar een bijeenkomst op de uitgeverij waar hij had gewerkt.

,,Ik vind het fijn om ook eens met jou te kunnen pronken'', zei hij glimlachend.

Fanja ontmoette op de uitgeverij mensen die ze al kende en maakte nieuwe kennissen. Ze ging daarna geregeld met Ton mee, en op den duur keken de aanwezigen naar hen als naar een paar. Beiden voelden zich daardoor niet gehinderd.

Hun vriendschap ontwikkelde zich steeds meer tot een hechte band. Ze gingen samen naar tentoonstellingen en nodigden elkaar uit om feesten te bezoeken.

,,Er zijn veel aardige jongere mensen'', zei Ton een keer op zo'n feest met een wat melancholieke stem. ,,Alleen voeren ze gesprekken waar ik niet altijd aansluiting bij heb.''

,,We zijn ook bijna overal de oudsten'', beaamde Fanja. ,,We hebben soms behoefte aan andere onderwerpen.''

Maar Ton was evenmin erg geïnteresseerd in de gesprekken van de ouderen met wie Fanja wekelijks in de sociëteit verkeerde.

,,Naarmate we ouder worden, versterken onze typische eigenschappen'', verklaarde Fanja. Aan haar vriendentafel ging het er soms fel aan toe. ,,Sommigen zijn wat milder geworden, anderen laten zich duidelijker gelden. De één praat meer dan voorheen, de ander wordt wat agressiever. Sommigen vertellen oneindig vaak over hun familieomstandigheden. En er wordt veel over ziektes gesproken. Of er komen verhalen die we al kennen. Soms ontstaan er ook gesprekken die wel boeiend zijn. Maar altijd is er het besef en de pijn dat we in al die jaren steeds minder belangrijk zijn geworden.''