Een dier, een nacht, een schreeuw, een mens

De schilder Constant Nieuwenhuys, die gisteren op 85-jarige leeftijd in Utrecht is overleden, staat in de kunstgeschiedenisboeken al decennia bekend als de `theoreticus van Cobra'. Daar valt weinig op af te dingen, maar wie Constant de afgelopen jaren bezocht vond weinig terug van de degelijke, wat saaie associaties die deze omschrijving met zich meebracht. In zijn atelier, een hoge voormalige gymzaal in het oosten van Amsterdam, werd de bezoeker ontvangen door een hartelijke man, die op zijn klavecimbel Chopin of zigeunermuziek speelde, liefdevol zijn hondje Tikus voerde en al vroeg op de middag een fles Luxemburgse moezelwijn opentrok.

Over zijn schouder keken ondertussen zijn schilderijen mee – intense, grote doeken geschilderd in de realistische stijl die de laatste dertig jaar zijn handelsmerk was geworden. Ze toonden baders in zee, vluchtelingen in de woestijn of dakloze kinderen, altijd in diepe, overweldigende kleuren. Constant beschouwde zichzelf als een colorist in de traditie van Titiaan, Rubens, Delacroix en Cézanne: laag over laag bracht hij de verf zo dun mogelijk aan op het doek, om de kleuren zo intens te maken als mogelijk. Zelf vergeleek de muzikale Constant die lagentechniek graag met het verschil tussen een soloviool en een symfonieorkest: ,,Het beeld dat je met deze lagen krijgt is zo subtiel, zo rijk, dat kan een `solokleur' nooit bereiken.''

Het gevolg van deze werkwijze was wel dat Constant de laatste tijd zelden meer maakte dan drie à vier doeken per jaar. En als mensen vonden dat hij met zulk realistische werk zijn avant-gardistische verleden verloochende ontkende hij dat met klem: ,,Ik heb altijd voor de troepen uitgelopen. Toen iedereen bezig was met abstractie schilderde ik wilde beesten. Toen dat was geaccepteerd, richtte ik New Babylon op, en op het moment dat de schilderkunst werd `doodverklaard' ben ik weer gaan schilderen.''

Het tragische aan deze ontwikkeling (die hem in de kunstwereld niet in dank werd afgenomen) was dat met het klimmen der jaren veel mensen vergaten dat Constant een van de belangrijkste Nederlandse avant-gardisten was van de twintigste eeuw. Een avant-gardist ook in de ware zin des woord: een kunstenaar die niet alleen voor de troepen uit loopt, maar die ook radicaal zijn koers durft te verleggen als hij de tijd daarvoor rijp acht.

Vooral de invloed die Constant heeft gehad met Cobra valt moeilijk te onderschatten. De beweging, die hij in 1948 oprichtte met onder anderen Karel Appel, Corneille, Asger Jorn en Christian Dotremont, brak radicaal met de afwachtende houding die na de Tweede Wereldoorlog in Nederland onder kunstenaars heerste. Cobra gooide de kont tegen de krib en riep een nieuw elan uit, met wilde schilderijen, grote woorden, felle kleuren en schijnbaar primitieve vormen die suggereerden dat deze kunstenaars nauwelijks een artistieke opleiding hadden gehad. Of nog erger: dat zo'n scholing ze niet kon schelen. Die houding werd door Constant verwoord in het `Manifest' van de Experimentele Groep met de klassieke zin: ,,Een schilderij is niet een bouwsel van kleuren en lijnen, maar een dier, een nacht, een schreeuw, een mens, of dat alles tezamen.''

Dat neemt niet weg dat Constant meer dan voldoende kennis had van de `klassieke' schilderkunst. Constant Anton Nieuwenhuys, geboren op 21 juli 1920, wilde als kind leeuwentemmer worden. Toch maakte hij al op zijn zestiende zijn eerste schilderij: een klassieke Emmausgangers, in een stijl die wel iets weg had van die van Oskar Kokoschka. Omdat Constant geen geld had om linnen of verf te kopen schilderde hij dat eerste doek op een juten suikerzak waarvan hij de naden had losgetornd; verf maakte hij met pigment dat hij kocht bij een huisschilder.

Deze technische vaardigheid zou hem verderop in zijn carrière nog goed van pas komen. Op zijn negentiende gaat Constant naar de Rijksacademie, waar hij klassiek les krijgt in modeltekenen en schilderen naar de natuur – later ging hij er overigens prat op dat zijn visuele geheugen zo goed was dat hij geen voorstudies of foto's nodig had om een gelijkend portret te kunnen maken. In 1946 trekt hij voor het eerst naar Parijs, waar hij onder anderen Asger Jorn ontmoet.

Terug in Amsterdam, in 1948 (Constant staat net in de tuin aan een vogelsculptuur te werken) wordt er gebeld; zijn vrouw doet open en komt melden dat er twee jongens voor de deur staan: het zijn Corneille en Karel Appel. Ze hebben Constants werk gezien op een expositie en voelden onmiddellijk verwantschap. De gevoelens zijn wederzijds; al snel richt het drietal de Experimentele Groep op, die enkele maanden later opgaat in Cobra.

Binnen de groep is de rolverdeling spoedig duidelijk. Appel is het schildersbeest, de intuïtieve kunstenaar. Constant daarentegen, is ernstiger. Hij is niet alleen de theoreticus en de schrijver; zijn doeken hebben ook een veel heftiger ondertoon dan die van Appel en Corneille. Indringend is bijvoorbeeld Constants De brand uit 1950 waarop een typische Cobra-figuur haar handen machteloos uitstrekt naar een brandend huis. Vanaf dat jaar maakt Constant steeds meer schilderijen met titels als De Oorlog of Verschroeide aarde: rauwe, donkere doeken die door de schijnbaar naïeve schilderstijl alleen maar harder aankomen.

De maatschappelijke betrokkenheid die uit deze werken spreekt wordt in de jaren vijftig voor Constant steeds belangrijker. Nadat Cobra in 1951 is opgeheven, sluit hij zich aan bij de Internationale Situationisten en gaat hij zich meer bezighouden met architectuur. Hij schildert even abstract en ontwikkelt, samen met architect Aldo van Eyck, een theorie voor het samengaan van vorm en kleur en architectuur, het `spatiaal colorisme'. Als hij rond die tijd kennis maakt met Huizinga's Homo Ludens is al snel het idee geboren voor een utopische stad die hij New Babylon noemt.

Meer dan een decennium werkt Constant vervolgens aan New Babylon en andere architecturale projecten: hij maakt schetsen en tekeningen, bouwt minutieuze maquettes (met hulp van assistenten), allemaal met als doel het ontwikkelen van een stad waarin de mens `vrij' kan leven, los van conventies en beperkingen. Het maakt New Babylon in veel opzichten tot een revolutionair project; niet alleen is het een van de eerste keren dat architectuur, kunst en vormgeving op een conceptuele manier worden geïntegreerd. Constant is er ook een voorloper mee van de maatschappijbetrokken kunst die in de jaren negentig opgang zal maken. Niet voor niets krijgt New Babylon op de Documenta van 2002 een ereplaats.

Hoezeer Constant oprecht van de avant-gardegeest was doordrongen blijkt vooral in 1966. New Babylon is op dat moment op het toppunt van zijn roem, Constant vertegenwoordigt er Nederland mee op de Biennale van Venetië; de schilderkunst heeft hij al jaren achter zich gelaten. Op een dralende wandeling komt hij in de Accademia terecht, het Venetiaanse museum voor oude kunst. Daar wordt de installatiebouwer en conceptkunstenaar getroffen, als door een mokerslag, door de Pièta (1576) van Titiaan. Alles aan het doek raakt hem, de compositie, de kleur, de opbouw.

In de jaren die volgen reist Constant bijna alle Titiaans in Europa af en begint hij zelf, zij het aarzelend, weer te schilderen. Hij moet zelfs opnieuw een ezel kopen. Uiteindelijk zal Constant zich meer dan dertig jaar lang wijden aan de studie van het colorisme, de traditie, het verband met Titiaan, Rubens en Delacroix – dat is ruim tien jaar langer dan Cobra en New Babylon samen. Vorig jaar nog stelde hij in een interview dat hij zichzelf beschouwde als `een van de grote coloristen van deze tijd'. En, voegde hij daaraan toe: ,,Als ik zie hoe de kunst zich ontwikkelt gaat het nog wel even duren voor er zich een betere aandient.'' Met Constant Nieuwenhuys is niet alleen een groot kunstenaar overleden, maar vooral een kunstenaar die altijd zijn eigen weg durfde te gaan.

Zijn eerste doek schilderde hij op juten suikerzak

`Ik ben een van de grote coloristen van deze tijd'